Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van toetsing van wetgeving (SteR nr. 1) 2010/II.4.4.1.1
II.4.4.1.1 Twee-partijengeschillen
Joost Sillen, datum 01-07-2010
- Datum
01-07-2010
- Auteur
Joost Sillen
- JCDI
JCDI:ADS587155:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie echter de tekst bij nt. 462-475.
De term is van Bok 1991, p. 117.
Van kracht van gewijsde is sprake als tegen de uitspraak geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden aangewend (vgl. Snijders, Klaassen & Meijer 2007, p. 67). Omdat tegen een kort geding-vonnis altijd rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, verkrijgt het nooit gezag van gewijsde (bijv. HR 16 december 1994, NJ 1995, 213, r.o. 3.3).
Bijv. HR 14 oktober 1988, NJ 1989, 413, m.nt. JBMV. Vgl. Beukers 1994, p. 83, met vele verwijzingen.
Een overweging ten overvloede ondersteunt het dictum niet. Zij verkrijgt daarom geen gezag van gewijsde. Zie HR 30 september 1994, NJ 1996, 198, m.nt. CJHB, r.o. 4. Een toetsingsoordeel in een overweging ten overvloede bevat HR 14 april 1989, NJ 1989, 469, m.nt. MS; RegelMaat 1989, p. 80-84, m.nt. C.A.J.M. Kortmann (Harmonisatiewet), r.o. 3.1.
Gras 1994, p. 282-284; Beukers 1994, p. 98-99
Vgl. HR 17 november 1995, NJ 1996, 283, r.o. 3.4.
Mits de burgerlijke rechter een beroep op de onrechtmatigheid van de toepassing van een wettelijke voorschrift niet heeft afgewezen, omdat de bewijsmiddelen die daarvoor zijn aangevoerd onvoldoende zijn om daarover een beslissing te geven (HR 19 november 1993, NJ 1993, 175, r.o. 3.3).
HR 6 mei 1983, NJ 1984, 361, m.nt. MS; AB 1984, 101, m.nt. H.K. Fernandez Mendes en F.H. van der Burg (Bullenbaai); Rb. ’s-Gravenhage 16 februari 2005, JV 2005, 144 (Leges Turkse immigranten); Gem. Hof NA en Aruba 2 september 2008, LJN BF0082 (Antiliaanse Huisartsen); Rb. ’s-Gravenhage 31 december 2008, Gst. 2009, 17 (Publicatie NEN-normen).
Bijv. Rb. ’s-Gravenhage 25 januari 2006, NJF 2006, 142. Zie paragraaf 2.4.2.
Vgl. Schutgens 2009, p. 86-87. De auteur wijst er tevens op, dat de Hoge Raad in Bullenbaai (nt. 462) weliswaar in het dictum uitspreekt, dat een voorschrift onverbindend is, maar in de overwegingen van het arrest duidelijk stelt, dat die verklaring slechts rechten geeft aan partijen.
HR 1 juli 1983, NJ 1984, 360, m.nt. MS; AB 1984, 103, m.nt. FHvdB; SEW 1983, p. 723-733, m.nt. A.M. (LSV), r.o. 3.4. Vgl. HR 1 juli 1983, RvdW 1983, 131 (KNB).
Schutgens 2009, p. 79. De auteur meent tevens, dat – als de buitenwerkingstelling jegens de Staat wordt toegewezen – ook de rechter als ambt van de veroordeelde rechtspersoon gebonden is aan dat toepassingsverbod (p. 80-81). Voor die opvatting is dogmatisch veel te zeggen. Zij is echter in strijd met de jurisprudentie van de Hoge Raad, zoals blijkt uit de hiervóór geciteerde overweging uit LSV.Vgl. Bok 1991, p. 172. Ook hij lijkt te menen, dat de overheid het toepassingsverbod in de regel jegens een ieder in acht moet nemen, als hij schrijft: naast ‘absolute’ toepassingsverboden ‘zijn er ook gevallen’ waarin het verbod een beperktere strekking heeft en niet ‘niet ten opzichte van een ieder’ geldt.
Rb. R’dam 19 febrauri 2010, LJN BL4558 (Winkeltijdenwet).
De raad is bevoegd te besluiten tot zo’n zondagsopenstelling als er sprake is van een toeristisch gebied. In casu was daarvan geen sprake.
In werkelijkheid vroeg eiser alleen een buitenwerkingstelling en geen handhavingsgebod. Volgens mij heeft eiser in het onderhavige geval echter geen belang bij toewijzing van enkel een buitenwerkingstelling, omdat zij niet voorkomt dat eiser schade blijft lijden ten gevolge van de zondagopenstelling van zijn concurrenten. Een handhavingsgebod voorkomt dat wel.
Frenk 1994, p. 320.
HR 21 november 1952, NJ 1953, 468, m.nt. DJV en HR 21 mei 1999, NJ 2000, 291, m.nt. JBMV (Rinsma/Van Bakels en APR), r.o. 3.4. Zie ook nt. 489.
Eiser zou volgens mij veel beter een directe concurrent kunnen dagvaarden die zijn winkel wel opent op zondag en vorderen dat de burgerlijke rechter die concurrent verbiedt om (in strijd met de Winkeltijdenwet) op zondag zijn winkel te openen, omdat zulks jegens eiser een onrechtmatige daad is.
HR 3 januari 1964, NJ 1964, 445, m.nt. GJS en HR 18 februari 1966, NJ 1966, 208, m.nt. GJS. In het eerst genoemde arrest overweegt de Hoge Raad: ‘dat een verbod gegeven naar aanleiding van een bepaalde inbreuk op een merkrecht, zich niet behoeft te beperken tot een verbod van de herhaling van de inbreuk in den zelfden vorm als die waarin zij werd gepleegd, doch zich bij het bestaan van dreiging van inbreuk in andere vormen ook tot die andere vormen kan uitstrekken; dat [...] de omschrijving van [zo’n] verbod slechts in algemeen gestelde termen kan geschieden’.
Art. 6:162 BW jo. art. 3:296, eerste lid BW.
Van Maanen 2000a, p. 101.
Aangenomen wordt, dat het onderdeel van het dictum van een uitspraak van de bestuursrechter inhoudende de vernietiging van het besluit, rechtsgevolgen erga omnes heeft.
Vgl. HR 18 februari 2005, AB 2005, 400, m.nt. FvO; JBPr 2005, 35, m.nt. C.N.J. Kortmann (Ziekte van Ausjeszky), r.o. 3.5: ‘van een bestuursorgaan moet worden verwacht dat het, als de hoogste bestuursrechter een regeling onverbindend heeft geacht, hetzij het daarheen leidt dat alsnog een verbindende regeling wordt totstandgebracht, hetzij zich ook in andere gevallen aan de uitspraak van die hoogste rechter houdt.’
Toetsingsuitspraken in twee-partijengeschillen, binden slechts slechts procespartijen. Zij zijn verplicht het dictum van de uitspraak na te leven. Het oordeel dat een wettelijk voorschrift onrechtmatig is, bevat dat dictum meestal niet.1 Het staat vaak in de overwegingen van de uitspraak, omdat het slechts een ‘hulpoordeel’ is voor het antwoord op de vraag of het gevorderde moet worden toe- of afgewezen.2
Het schoolvoorbeeld van een toetsingsoordeel als hulpoordeel is de uitspraak van de strafrechter dat verdachte weliswaar het feit heeft begaan, maar dat het bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd, omdat het wettelijk voorschrift dat de gedraging verbiedt, onverbindend is. Het dictum van de uitspraak luidt in zo’n geval (doorgaans) dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. De onverbindendverklaring ontbreekt in dat dictum.
Naast het dictum kunnen ook de overwegingen in de uitspraak bindend zijn voor partijen. Zij kunnen gezag van gewijsde verkrijgen. Of overwegingen partijen binden en zo ja, welke overwegingen, verschilt per ‘type’ rechter.
i. De burgerlijke rechter
Voor uitspraken van de burgerlijke rechter geldt artikel 236 Rv. Het eerste lid van dat artikel luidt:
‘Beslissingen die de rechtsbetrekking in een geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht.’3
De beslissingen die het artikellid noemt, kunnen ook ‘hulpoordelen’ zijn, waarop het dictum steunt.4,5Zuivere rechtsoordelen echter zijn van het gezag van gewijsde uitgezonderd.6 Gezag van gewijsde kunnen alleen die overwegingen krijgen, waarin de rechter rechtsregels toepast op feiten.7
Het onderscheid tussen zuivere rechtsoordelen en andere oordelen is van belang voor de vraag of partijen door die toetsingsoordelen worden gebonden: spreekt de rechter als ‘hulpoordeel’ uit dat een voorschrift buiten toepassing moet blijven omdat zijn toepassing jegens eiser onrechtmatig is, dan verkrijgt dat oordeel gezag van gewijsde.8 De toepassing van het voorschrift op de concrete feiten en omstandigheden van het geval zijn immers beslissend voor dat toetsingsoordeel. Komt de rechter echter tot de conclusie, dat het voorschrift onverbindend is – een zuiver rechtsoordeel – dan ontbeert dat ‘hulpoordeel’ gezag van gewijsde.
Zoals gezegd bevat het dictum van een uitspraak van de burgerlijke rechter in de regel geen oordeel over de rechtmatigheid van een wettelijk voorschrift of van zijn toepassing. In twee gevallen is dat anders.
Soms geeft de burgerlijke rechter een verklaring voor recht waarin hij slechts vaststelt, dat een wettelijk voorschrift onverbindend is.9 Zo’n dictum is strikt genomen onjuist. Toewijzing van zo’n verklaring voor recht hoort te leiden tot een dictum waarin de rechter uitspreekt, dat het vaststellen en handhaven van het wettelijk voorschrift jegens eiser een onrechtmatige daad is.10 Rechtens bestaat er echter geen verschil tussen beide dicta: de wet bepaalt, dat uitspraken van de burgerlijke rechter alleen partijen binden. De wijze waarop de rechter het dictum formuleert, verandert dat niet.11
Ten tweede bevat het dictum van een uitspraak van de burgerlijke rechter een oordeel over de rechtmatigheid van een voorschrift wanneer hij een voorschrift ‘buiten werking’ stelt. In LSV omschrijft de Hoge Raad zo’n buitenwerkingstelling als:
‘een in algemene termen vervat verbod (HR 3 jan. 1964, NJ 1964, 445, en 18 febr. 1966, NJ 1966, 208), daartoe strekkende dat de Staat zich [...] heeft te onthouden van gedragingen die op de werking van die beschikkingen [inhoudende een algemeen verbindend voorschrift, JS] zijn gegrond, met name het uitvoeren of doen uitvoeren daarvan, bijv. door daden van opsporing en strafvervolging.’
Hij benadrukt, dat
‘ook een algemeen geformuleerde uitspraak als in het onderhavige geval is gegeven, slechts rechten geeft aan de partijen die haar hebben verkregen, zij het dat derden kunnen profiteren van het praktische gevolg, gelegen in de verwachting dat die rechter in volgende soortgelijke zaken in dezelfde zin zal beslissen.’12
Toch menen diverse auteurs, dat ook anderen dan procespartijen geraakt worden door zo’n buitenwerkingstelling, ook al is zij toegewezen in een traditioneel tweepartijengeschil. Zo schrijft Schutgens:
‘Het vonnis waarbij een regeling buiten werking wordt gesteld, legt inter partes vast, dat de overheid ten behoeve van de verkrijger verplicht is, om zich tegenover iedereen van uitvoering van de regeling te onthouden.’13
Deze opvatting is om twee redenen onjuist.
Ten eerste is eiser in een twee-partijengeschil niet bevoegd om op te komen voor de belangen van derden, maar alleen voor zijn eigen belang. De rechter beslecht alleen dat concrete geschil en zijn uitspraak heeft daarom alleen voor dat geschil rechtsgevolgen.
Soms kan het echter in eisers (civielrechtelijk) belang zijn dat de overheid een wettelijk voorschrift niet toepast jegens een ander. Een voorbeeld van zo’n geval is de volgende casus.14 Volgens een gemeentelijke verordening mogen winkels in Rotterdam elke zondag geopend zijn. Eiser wil zijn winkel echter gesloten houden, maar lijdt concurrentieschade als hij dat doet. Vaststaat dat die verordening in strijd is met de Winkeltijdenwet.15 De winkelier dagvaardt daarom de gemeente en stelt dat zij onrechtmatig jegens hem handelt door een met de Winkeltijdenwet strijdige verordening vast te stellen die toestaat dat winkels op zondag geopend zijn. Hij vordert daarop de buitenwerkingstelling van de verordening en vraagt een gebod aan het adres van de gemeente om de Winkeltijdenwet te handhaven.16 Wijst de rechter die vordering toe, dan heeft zij derdenwerking: op grond van het rechterlijk bevel moet de gemeente handhavend optreden tegen winkeliers. Het gevaar van het toewijzen van zo’n bevel is echter, dat die derden op hun beurt eveneens naar de burgerlijke rechter kunnen stappen en hem kunnen vragen te verbieden dat de gemeente handhavend optreedt. Als de rechter die laatste vordering toewijst, dan verkeert de gemeente in een patstelling: zij moet zowel de buitenwerkingstelling als het nieuwe verbod naleven. De exceptio litis plurium consortium voorkomt echter zo’n patstelling. Volgens die exceptie behoort eiser – ambtshalve17 – niet-ontvankelijk te worden verklaard als bij toewijzing van de vordering derden worden geraakt die geen procespartij zijn bij het geschil, terwijl het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing tussen die derden en gedaagde hetzelfde luidt als tussen eiser en gedaagde.18 Volgens mij behoort de exceptio ook in dit geval toepassing te vinden: als eiser belang heeft bij een verbod aan het adres van de overheid om een onrechtmatig voorschrift jegens een ander toe te passen, maar die ander is geen partij in de procedure, dan is een daartoe strekkende buitenwerkingstelling niet toewijsbaar.19
Ten tweede volgt uit de uit LSV afkomstige zinsnede ‘een in algemene termen vervat verbod’ evenmin dat de buitenwerkingstelling ook geldt voor de toepassing van het gewraakte voorschrift jegens derden. Uit de twee arresten waarnaar de Hoge Raad in LSV verwijst, blijkt, dat hij betrekking heeft op de ruime omschrijving van het soort handelingen dat verboden wordt en niet op de vraag jegens wie de overheid het verbod in acht moet nemen.20
Een buitenwerkingstelling in een twee-partijengeschil is dus niets anders dan een verbod aan het adres van de overheid om een wettelijk voorschrift jegens eiser toe te passen, omdat (de toepassing van) dat voorschrift jegens hem onrechtmatig is.21 Net als bij een in het dictum opgenomen onverbindendverklaring doet het dictum van de uitspraak waarin de rechter een buitenwerkingstelling toewijst, echter anders vermoeden. Zulke dicta houden, zoals Van Maanen terecht schrijft,
‘de mythe dat de burgerlijke rechter de mogelijkheid zou hebben om algemene regelgeving onverbindend te verklaren of buiten werking te stellen met werking erga omnes [in leven].’22
ii. De bestuurs- en de strafrechter
Ook uitspraken van de bestuurs- en strafrechter binden alleen partijen.23 Het dictum van uitspraken van die rechters bevat geen oordeel over de rechtmatigheid van (de toepassing van) een wettelijk voorschrift. Het dictum van een uitspraak van de bestuursrechter verklaart het beroep gegrond of ongegrond, terwijl de strafrechter daarin verdachte vrijspreekt, hem ontslaat van alle rechtsvervolging of een straf oplegt. Het eventuele toetsingsoordeel staat in de overwegingen van hun uitspraak. De vraag of daaraan gezag van gewijsde toekomt – zodat het ook bindend is in een ander geschil tussen dezelfde partijen – is in de literatuur en in de rechtspraak niet beantwoord.
In de praktijk zal een antwoord op die vraag ook niet snel nodig zijn. Bij de zaken waarover de bestuurs- en strafrechter beslissen, is immers steeds de overheid als partij betrokken. Als de rechter in zijn uitspraak een wettelijk voorschrift onverbindend verklaart, probeert een fatsoenlijke overheid in een nieuw geschil met dezelfde burger niet een nieuw toetsingsoordeel over hetzelfde voorschrift te verkrijgen.24