Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/2.6
2.6 De invloed van Europees recht
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232655:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Pitlo/Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-serie nr. 2) 2017, par. 4.1.7.
Ik verwijs hier kortheidshalve naar Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/6 voor een overzicht van de belangrijkste richtlijnen.
Zie voor een volledig overzicht van de Europese richtlijnen en de wijzigingen en intrekkingen: J.N. Schutte-Veenstra, Groene Serie Rechtspersonen, ‘Europese Richtlijnen Vennootschapsrecht’, actueel t/m 26 juli 2018 (online te raadplegen).
Publicatieblad van de Europese Unie van 20 mei 2017 inhoudende Richtlijn (EU) 2017/828 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft.
Besluit van 25 november 2019 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 6 november 2019 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet op het financieel toezicht en de Wet giraal effectenverkeer ter uitvoering van Richtlijn 2017/828/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 2007/36/EG wat het bevorderen van de langetermijnbetrokkenheid van aandeelhouders betreft (PbEU 2017, L 132) (Stb. 2019, 436).
Verordening (EU) Nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie. Een ‘uitgevende instelling’ is een privaat- of publiekrechtelijke juridische entiteit die financiële instrumenten emitteert of voorstelt te emitteren, waarbij de uitgevende instelling, in het geval van certificaten van aandelen die financiële instrumenten vertegenwoordigen, de uitgevende instelling van het vertegenwoordigde financiële instrument is, zie artikel 3.21 van de Verordening Marktmisbruik.
Kamerstukken II 2015-16, 34 455, nr. 3 (MvT), p. 6.
Artikelen 14 en 15 Verordening Marktmisbruik.
Zie voor een overzicht: afm.nl/nl-nl/professionals/onderwerpen/marktmisbruik/lagere-regelgeving.
Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG (Prospectusverordening).
Kamerstukken II 2018/19, 35 108, nr. 3 (MvT), p. 2.
Kamerstukken II 2018/19, 35 108, nr. 3 (MvT), p. 4.
Besluit van 26 juni 2019, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet implementatie prospectusverordening en het Besluit implementatie prospectusverordening (Stb. 2019, 244).
Volgens Van Olffen en Rensen is bijna de helft van het Nederlandse vennootschapsrecht gebaseerd op Europese regelgeving.1 Met name een groot deel van het effectenrecht dat van toepassing is op beursvennootschappen komt voort uit een ‘federaal’ Europees effectenrecht.2 Die regels bestaan veelal uit Europese richtlijnen. Op basis van de artikelen 50 lid 1 en 50 lid 2 sub g VWEU kunnen richtlijnen worden vastgesteld teneinde respectievelijk (1) de vrijheid van vestiging te verwezenlijken en (2) waarborgen te coördineren welke worden verlangd van rechtspersonen om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in die rechtspersonen als van derden, teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken. Deze richtlijnen hebben geen directe werking ten aanzien van ingezetenen van lidstaten van de Europese Unie, maar moeten door die lidstaten in nationale wetgeving worden omgezet.3 Sinds 1968 is een grote verscheidenheid aan Europese richtlijnen geïntroduceerd. Deze richtlijnen zien op de harmonisatie van het vennootschapsrecht in de verschillende lidstaten. Zij zijn in de loop der tijd veelal gewijzigd of ingetrokken en vervangen. De Eerste EEG-richtlijn uit 1968, de Tweede EEG-richtlijn uit 1976, de Derde EEG-richtlijn uit 1978, de Zesde EEG-richtlijn uit 1982, de Tiende EEG-richtlijn uit 2005 en de Elfde EEG-richtlijn uit 1989 zijn inmiddels ingetrokken en vervangen door een nieuwe overkoepelende Richtlijn (EU) 2017/1132 van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (hierna: de Richtlijn Vennootschapsrecht). De Vierde EEG-richtlijn uit 1978 en de Zevende EEG-richtlijn uit 1983 zijn ingetrokken en vervangen door Richtlijn 2013/34/EU van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/95/EU van 22 oktober 2014 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen (hierna: de Verslaggevingsrichtlijn). De Twaalfde EEG-richtlijn uit 1989 is ingetrokken en vervangen door Richtlijn 2009/102/EG van 16 september 2009 inzake het vennootschapsrecht betreffende eenpersoonsvennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. De Achtste EEG-richtlijn uit 1984 is ingetrokken in 2006. Een aantal richtlijnvoorstellen zijn overigens nooit aangenomen, zoals de voorstellen voor de Vijfde EEG-richtlijn uit 1972 en een ontwerp voor een Negende EEG-richtlijn uit 1984.4
Een recent voorbeeld van een voor het ondernemingsrecht relevante Europese richtlijn is de Herziene Aandeelhoudersrichtlijn. Deze is op 20 mei 2017 gepubliceerd.5 Deze richtlijn bevat onder andere regelingen voor de identificatie van aandeelhouders, het faciliteren van de stemrechtuitoefening door aandeelhouders op de AV, transparantie van proxy advisors, het recht van aandeelhouders om te stemmen over bezoldiging van bestuurders en transparantie en goedkeuring van transacties met verbonden partijen. De Eerste Kamer heeft het Wetsvoorstel implementatie EU richtlijn bevordering aandeelhoudersbetrokkenheid (kamerstuknummer 35 058) op 5 november 2019 als hamerstuk afgedaan. De meeste artikelen van de wet zijn met ingang van 1 december 2019 in werking getreden; de overige artikelen met ingang van 3 september 2020.6
In aanvulling op de hiervoor genoemde vennootschapsrechtelijke regelingen, zijn bepaalde onderwerpen geregeld in verordeningen, die – anders dan richtlijnen – direct van toepassing zijn op ingezetenen van de lidstaten van de Europese Unie. Deze verordeningen hadden tot voor kort betrekkelijk weinig invloed op het Nederlandse ondernemingsrecht. Dat is, met name voor beursvennootschappen, sinds enkele jaren veranderd door de inwerkingtreding van de Verordening Marktmisbruik en de Prospectusverordening. De Verordening Marktmisbruik is sinds 3 juli 2016 van toepassing op uitgevende instellingen (waaronder beursvennootschappen).7 Daarmee zijn artikel 5:25i Wft (oud) en de artikelen 5:53-5:67 Wft (oud), die allemaal hun pendant in de Verordening Marktmisbruik kennen, vervallen.8 De Verordening Marktmisbruik bevat bepalingen die handel met voorwetenschap, wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap en marktmanipulatie verbieden.9 Verder bevat deze verordening onder andere regels over de openbaarmaking van voorwetenschap, een safe harbour-regeling voor inkoopprogramma’s en stabilisatie van effecten, marktpeilingen en transacties door leidinggevenden. Als aanvulling op de Verordening Marktmisbruik zijn verschillende uitvoeringsverordeningen en gedelegeerde verordeningen gepubliceerd, die meer concrete regels geven voor specifieke onderwerpen.10 De Prospectusverordening harmoniseert de regels die zien op het prospectus dat dient te worden gepubliceerd voor het aanbieden van effecten aan het publiek of het toelaten van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt.11 Het doel van de Prospectusverordening is om het ophalen van geld op de kapitaalmarkt door ondernemingen te vergemakkelijken, terwijl het prospectus voldoende informatie aan de belegger verschaft om deze een verantwoorde beleggingsbeslissing te laten nemen.12 Ten behoeve van de inwerkingtreding van de Prospectusverordening per 21 juli 2019 zijn de nationale bepalingen die uitvoering gaven aan de oude prospectusrichtlijn, zoals opgenomen in hoofdstuk 5.1 Wft, vervallen en is er een nieuw hoofdstuk 5.1 Wft vastgesteld.13 Hierin zijn thans nog vier artikelen te vinden waar zaken in zijn geregeld die niet direct uit de Prospectusverordening voortvloeien. Ook zijn enkele aangrenzende besluiten aangepast. Deze wijzigingen zijn geregeld in de Wet implementatie prospectusverordening en het Besluit implementatie prospectusverordening, die beide in werking traden op 21 juli 2019.14