Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.7.9:2.7.9 Tussenconclusie
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.7.9
2.7.9 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859064:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het voorgaande volgt dat het onder omstandigheden zo stuitend kan zijn dat een persoon die daartoe door de wet of het testament wordt aangewezen voordeel kan genieten uit de nalatenschap, dat het onaanvaardbaar is voor het rechtsgevoel dit toe te laten. In dat geval doet de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid dienst als grondslag om een persoon te diskwalificeren als erfrechtelijke verkrijger. Het is een afweging die van geval tot geval moet worden gemaakt. Debet hieraan is de diversiteit aan omstandigheden die zich kunnen voordoen. Er hoeft hierbij niet per definitie sprake te zijn van rechtstreeks handelen tegen de erflater.
Hierbij geldt dat het huwelijksvermogensrecht en erfrecht twee verschillende terreinen zijn die elkaar op veel punten raken, maar toch ook op onderdelen anders kunnen uitwerken. Zo is het mogelijk dat er bij de vererving geen strijd is met de redelijkheid en billijkheid, terwijl die er wel is bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap.
Verder wordt duidelijk dat toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid niet snel aan de orde is. Er dient sprake te zijn van zeer bijzondere omstandigheden. Hiermee wordt voorkomen dat de rechtszekerheid die artikel 4:3 BW biedt teveel in het gedrang komt, nu toepassing van deze correctie per saldo de reikwijdte van artikel 4:3 lid 1 BW verruimt. Zou dit anders zijn dan brengt dit de nodige onzekerheden en moeilijkheden met zich bij de afwikkeling van nalatenschappen.
De derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid kan dus in feite het bereik van artikel 4:3 BW vergroten. De kwalificatie onwaardigheid ontbreekt alleen. De gedachten en overwegingen van de wetgever bij artikel 4:3 BW en de ratio van deze bepaling zijn daarom van betekenis indien een persoon niet onwaardig is om te erven en er vervolgens bezien wordt of de eisen van redelijkheid en billijkheid ertoe leiden dat deze persoon desondanks geen voordeel mag genieten uit de nalatenschap. Naar mijn mening is bij de toepassing hiervan terughoudendheid geboden als hiermee een resultaat wordt bereikt dat op gespannen voet staat met hetgeen de wetgever bij artikel 4:3 BW voor ogen staat. Er bestaat meer ruimte indien een resultaat wordt bereikt dat in lijn is met de bedoeling van deze bepaling, als een situatie zich voordoet die door de wetgever niet is voorzien of als een situatie wel door de wetgever is voorzien maar latere (juridische) ontwikkelingen een ander licht werpen op die situatie.
Hoewel de rechtszekerheid door toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid aan betekenis inboet, blijft op deze manier de mogelijkheid open af te wijken van artikel 4:3 BW wanneer de situatie dat vordert. Hiermee wordt recht gedaan aan de betrokken belangen en omstandigheden van het geval, hetgeen wat mij betreft dient te prevaleren boven volledige rechtszekerheid door een te rigide wetstoepassing. De limitatieve opsomming uit artikel 4:3 lid 1 BW is daarmee niet zo strikt als deze lijkt. Resteert daarmee wel de vraag of artikel 4:3 lid 1 BW in zijn huidige formulering voldoet, nu de rechter in meerdere gevallen dus per saldo de reikwijdte van deze bepaling heeft verruimd. In paragraaf 2.9 wordt nader stilgestaan bij deze vraag.