Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/2.12
2.12 Het belang bij behoud van de zaak
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS400825:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Henckel 1994, p. 214: ‘Der Vorbehaltsverkäufer mag dann die Sache anderweitig veräuûern, muû das aber nicht. Er kann als Eigentümer mit der Sache machen, was er will; er kann sie selber nutzen, kann sie vermieten, verschenken oder verleihen.’ Zie ook Raiser 1961, p. 52.
Vgl. Verheul 2014b, p. 525-526.
Hübner 1980, p. 730.
Vgl. reeds Scholten 1906, p. 92: ‘Ook indien de wet het verbod van pandrecht zonder inbezitstelling niet inhield, zouden partijen toch niet van de hun dan geopende mogelijkheid om een pandrecht te vestigen gebruik maken, maar zich toch den eigendom voorbehouden.’ Vgl. ook Struycken 1906, p. 159-160.
Vgl. nogmaals Pitlo 1942, p. 328: ‘De huurverkooper blijft eigenaar totdat hij de contraprestatie zal ontvangen hebben. Hier is een volledig eigendomsrecht, niet een zekerheidsrecht aanwezig. Wie in dezen voorbehouden eigendom een zekerheidsrecht ziet, gaat wel heel ver. Is het dan niet nog maar een kleine stap om te zeggen: iedere koop, waarbij de verkooper de zaak tot de betaling onder zich houdt, heeft een zekerheidsrecht ten gevolge?’
Vgl. Snijders 1990, p. 93.
Vgl. M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388. Dat derden in de tussentijd een recht op de zaak kunnen hebben verwerven, waarbij in het bijzonder aan een door de kredietverschaffende bank (bij voorbaat) gevestigd pandrecht is te denken, doet daaraan in beginsel niet af. Goed verdedigbaar is namelijk dat de pandhouder deze ontbinding en retro-overdracht zich, indachtig de regel uit HR 6 maart 1970, NJ 1970, 433m.nt. Ph.A.N. Houwing (Van Wessem q.q./Traffic) en het daarop gebaseerde art. 3:284 BW, moet laten welgevallen, omdat de koper de zaak uitsluitend heeft kunnen verkrijgen doordat de verkoper als eerste heeft gepresteerd, terwijl hij tegelijkertijd in gebreke is gebleven met de voldoening van de daartegenover staande prestatie. Zie voor het Duitse recht MünchKomm-BGB/Oechsler 2017, Anh. §§ 929-936 BGB, Rn. 42.
Zie voor het navolgende met verdere verwijzingen Samuels v. Mahon, 510 F.2d 139 (1975), G.I. Wallach, The Law of Sales Under the Uniform Commercial Code, Boston: Warren, Gorham & Lamont 1981, § 7.03- 7.04 en L.B. Kuchera, ‘The Credit Seller’s Reclamation Right under Subsection 2-702(2) of the Uniform Commercial Code; Its Status When the Interests of the Third Parties Intervene’, North Dakota Law Review 1986, p. 233-234.
Ook een restitution-aanspraak bood de verkoper geen soelaas, omdat een dergelijke actie niet toekomt aan degene die zelf al volledig heeft gepresteerd, indien de tegenprestatie betaling van een geldsom betreft. Zie met verdere verwijzingen G.E. Palmer, The Law of Restitution, Boston: Little, Brown and Company 1978, p. 378-389.
Zie ook kritisch Flume 1962, p. 389: ‘Es ist nicht einzusehen, weshalb die Eigentumsübertragung nicht von der Zahlung des Kaufpreieses in der Weise sollte abhängig gemacht werden können, daû der Käufer Eigentümer erst mit der Zahlung wird. (…) Der Synallagma-Gedanke ist jedenfalls stark genug, es zu rechtfertigen, daû der Verkäufer, wenn er schon die Kaufsache dem Käufer vor der Bezahlung zu Besitz und Nutzung überläût, sich das Eigentum, und zwar das volle Eigentum, bis zur vollständigen Zahlung des Kaufpreises vorbehält.’ Vgl. ook Bydlinski 2015, p. 248.
Om vergelijkbare redenen is in Duitsland in 2002 overgegaan tot schrapping van § 454 BGB (oud), dat de verkoper de bevoegdheid ontzegde om de koopovereenkomst te ontbinden, indien hij zijnerzijds reeds volledig had gepresteerd en de koper uitstel van betaling had verleend. Zie BT-Drucks. 14/6040, p. 204 alwaar ter onderbouwing van de schrapping wordt opgemerkt dat ‘es an einem stichhaltigen Grund [fehlt], der es rechtfertigen könnte, dass der Verkäufer für das Vertrauen, das er durch seine Vorleistung dem Käufer geschenkt hat, stets mit dem Entzug des Rücktrittsrechts bestraft wird.’
Zie Suijling 1934, nr. 308, Nieuwenhuis 1979, p. 61, Bakels 1993, p. 9-20, Bakels 2011, nr. 3 en nr. 22 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014, nr. 670.
Zie over de verhouding tussen opschortingsrecht en ontbinding o.m. Streefkerk 2013, nr. 7.2 en nr 14.2 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014, nr. 712.
Vanwege het feit dat het eigendomsvoorbehoud niet tot zekerheid strekt van de koopprijsvordering, maar de rechten van de verkoper bij ontbinding van de koopovereenkomst veiligstelt, komt het eigendomsvoorbehoud niet in strijd met (de strekking van) het fiduciaverbod. Het eigendomsvoorbehoud biedt geen zekerheid voor de voldoening van de koopprijs, maar strekt tot behoud van het voorwerp van de eigen prestatieplicht. Daarmee is het belang van de verkoper bij behoud van de zaak zelf gegeven. Zijn belang overstijgt het belang om zich te kunnen verhalen op de zaak, omdat hij vóór de transactie met de koper ook al (volledig) eigenaar was en aldus vrijelijk over de zaak kon beschikken.1 Het belang bij behoud van de zaak zelf komt bovendien tot uitdrukking in het feit dat de verkoper in de regel juist van het vervreemden van dergelijke zaken zijn bedrijf heeft gemaakt. Het belang bij behoud van het eigendomsrecht manifesteert zich daarmee in de omstandigheid dat de verkoper de zaak hernieuwd kan benutten in zijn bedrijfsuitoefening, door de zaak te vervreemden aan een ander.2
Daaruit blijkt ook dat niet gezegd kan worden dat het eigendomsvoorbehoud slechts een middel is om via een omweg een zekerheidsrecht te bereiken, zoals Hübner meent. Volgens hem is het eigendomsvoorbehoud uitsluitend tot ontwikkeling gekomen omdat het Duitse recht voor de verpanding vereist dat de zaak uit de macht van de pandgever wordt gebracht.3 Het huidige Nederlandse recht illustreert de onjuistheid van deze aanname. Ook nu het Nederlandse recht de vuistloze verpanding toestaat, kiezen verkopers voor het eigendomsvoorbehoud, omdat het eigendomsvoorbehoud andere belangen van de verkoper waarborgt dan het belang bij voldoening van de koopprijsvordering.4
Het belang van de verkoper bij behoud van de zaak zelf moet echter ook niet worden overschat. Doordat de verkoper de zaak aan de koper vervreemdt, geeft hij te kennen dat hij meer belang hecht aan verkrijging van de koopprijs van de zaak, dan aan behoud van de zaak zelf. Dat neemt echter niet weg dat de verkoper er belang bij heeft om, zodra blijkt dat de koper niet in staat is om de verschuldigde koopprijs te voldoen, de zaak te kunnen terugvorderen om haar vervolgens hernieuwd aan een ander te kunnen vervreemden. Niet goed valt namelijk in te zien waarom de enkele omstandigheid dat de verkoper met de vervreemding te kennen heeft gegeven dat hij meer belang heeft bij verkrijging van de tegenwaarde van de zaak, dan bij de zaak zelf, zou betekenen dat zijn belang daarmee zou zijn gereduceerd tot het belang van een zekerheidsgerechtigde.5 Als de overeenkomst met de koper niet door nakoming tot een einde komt, heeft de verkoper er belang bij om zich te kunnen losmaken van de overeenkomst en te bevrijden van zijn verplichting tot eigendomsverschaffing, om de zaak vervolgens hernieuwd te kunnen vervreemden aan een ander, waarbij hij de vrijheid heeft om de zelf de verkoopvoorwaarden en de koopprijs te kunnen bepalen, zonder dat hij beperkt is tot de mogelijkheid om de zaak te executeren. Een zodanige vrijheid had de verkoper in eerste instantie namelijk ook, toen hij de zaak aan de koper vervreemdde.6 Daaruit blijkt dat het eigendomsvoorbehoud geen situatie in het leven roept die niet ook al bestond vóórdat de verkoper de zaak aan de koper vervreemdde.
Opmerking verdient dat de in dit hoofdstuk verdedigde visie met betrekking tot de functie van het eigendomsvoorbehoud er op zichzelf niet aan in de weg staat een wettelijke regeling te ontwerpen waarin de positie van de verkoper wordt teruggebracht tot die van een zekerheidsgerechtigde. Zo zou men kunnen komen tot een met § 2-401(1) UCC vergelijkbare bepaling door het eigendomsvoorbehoud van rechtswege te converteren tot een voorbehouden pandrecht dat de koopprijsvordering (en eventueel andere vorderingen) secureert. Van belang is op te merken dat een dergelijke bepaling als zodanig echter niet voldoende is. Wanneer men daadwerkelijk wenst te voorkomen dat de verkoper eigenaar blijft c.q. wordt van de verkochte zaak, dient men de verkoper ook de mogelijkheid te ontzeggen om door ontbinding van de koopovereenkomst via ongedaanmaking weer eigenaar van de verkochte zaak te kunnen worden, omdat de verkoper anders via een omweg alsnog een eigendomspositie zou kunnen verkrijgen.7
Tegen deze achtergrond laat zich ook de beperking van de positie van de verkoper als zekerheidsgerechtigde onder de gelding van de UCC verklaren. Wat betreft de remedies van de verkoper bij niet-nakoming door de koper sluit de UCC aan bij het recht van voor de UCC (pre-Code common law), dat op dit punt een onderscheid maakte tussen een cash sale en een credit sale.8 Indien de koper bij een cash sale in gebreke bleef met de voldoening van de koopprijs, kon de verkoper de zaak terugvorderen door middel van een action in replevin. In geval van een credit sale kon de verkoper bij niet-nakoming door de koper de verkochte zaak daarentegen niet opvorderen. De verkoper kon uitsluitend een action for the purchase price geldend maken. Aan dit onderscheid lag ten grondslag dat de verkoper bij een credit sale vrijwillig het risico van niet- betaling op zich had genomen, door de zaak op krediet te verkopen. Daardoor was niet voldaan aan het vereiste voor de replevin-actie dat de koper de zaak onrechtmatig onder zich had. Enkel indien de koper de verkoper een verkeerde voorstelling van zaken had gegeven over diens solvabiliteit, bestond ruimte voor de verkoper om de koopovereenkomst te vernietigen en aldus de zaak op te vorderen. De verkoper bij een cash sale kon de zaak daarentegen met de replevin-actie terugvorderen, omdat hij niet had vertrouwd op de solvabiliteit van de koper, doordat hij juist verwachtte dat de koper bij de levering zou betalen.9 De UCC bouwt voort op dit onderscheid en geeft de verkoper op krediet in beginsel geen mogelijkheid om de verkochte zaak als eigenaar op te vorderen.10 Zijn aanspraken zijn beperkt tot de action for the purchase price, waarvoor hij zich – in combinatie met de regel van § 2-401(1) UCC – op grond van zijn zekerheidsrecht kan verhalen op de zaak. Hij kan niet door ontbinding bewerkstelligen dat hij in de positie wordt hersteld van voor de totstandkoming van de koopovereenkomst met de koper. Anders dan naar Nederlands recht, zijn er geen dus ontbindingsrechten van de verkoper die het eigendomsvoorbehoud zou kunnen veiligstellen.
Voor het Nederlandse recht acht ik een zodanig stelsel, waarbij het eigendomsvoorbehoud wordt geconverteerd in een voorbehouden pandrecht en de verkoper de mogelijkheid tot ontbinding wordt ontzegd, overigens niet erg aanbevelenswaardig.11 Niet goed valt namelijk in te zien waarom de verkoper de mogelijkheid van ontbinding niet zou moeten toekomen.12 De mogelijkheid voor een contractspartij om tot ontbinding over te gaan heeft haar grondslag in de doeloorzakelijkheid van de wederkerige overeenkomst: zij neemt een bepaalde verbintenis op zich opdat zij de prestatie verkrijgt waartoe de wederpartij zich daartegenover verbindt. De bevoegdheid tot ontbinding berust daarmee op het ruilkarakter van de wederkerige overeenkomst: als de wederpartij niet nakomt, moet zij ook de mogelijkheid hebben om zich van zijn prestatieplicht te bevrijden c.q. zijn prestatie terug te vorderen, omdat zij zich daartoe slechts verbond teneinde de tegenprestatie te verkrijgen.13 Dit ruilkarakter is bij uitstek aan de orde bij een koopovereenkomst. Gelet op de ratio van de ontbindingsmogelijkheid valt het dan ook niet goed te vol te houden waarom de verkoper die zich verplicht tot eigendomsverschaffing teneinde de daarvoor bedongen koopprijs te ontvangen, niet de mogelijkheid tot ontbinding zou moeten hebben en evenmin de mogelijkheid om – vooruitlopend op de mogelijkheid van ontbinding – door middel van het eigendomsvoorbehoud een opschortingsrecht geldend te maken teneinde zijn rechten bij ontbinding veilig te stellen.14