Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/2.2
2.2 De Code de Commerce en het verdere verloop van de 19e eeuw
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232627:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/9.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/1. Zie voor meer achtergrond ook De Jongh 2014, nr. 91.
Artikel 19 van de Code de Commerce 1807.
De Jongh 2014, nr. 91.
Artikel 31 van de Code de Commerce 1807. Zie ook: De Jongh 2014, nr. 92.
Frentrop 2013, p. 66.
Artikel 31 van de Code de Commerce 1807.
De Jongh 2014, nr. 92.
De Jongh 2014, nr. 92.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/11.
De Jongh 2014, nr. 101 en De Jong & Roëll 2005, par. 8.1.2.
Of, in de woorden van Honée, “uiterst beknopt”, zie Honée 1988, par. 3.
Artikel 15 van de Wet van 1838. Van der Heijden omschreef de NV in zijn dissertatie als een naar buiten werkende verenigingsvorm en een contractuele samenwerking, zie Van der Heijden 1908, hoofdstuk 2. De volledige regeling was vastgelegd in artikelen 36 tot en met 56 van de Wet van 1838.
HR 31 maart 1876, W. 3980.
Artikel 40 van de Wet van 1838. Aandelen in blanco konden enkel tegen volledige volstorting worden verkregen, zie artikel 41 van de Wet van 1838.
Artikel 44 Wet van 1838.
Artikel 39 Wet van 1838.
Artikel 45 Wet van 1838.
Artikel 47 Wet van 1838. Volgens datzelfde artikel is de NV van rechtswege ontbonden indien het maatschappelijk kapitaal een verlies van 75% heeft ondergaan.
Artikel 55 Wet van 1838.
Net als andere rechtspersonen, zie artikel 2:17 BW.
Timmerman 2016/1.3 en De Jongh 2014, nrs. 104 en 105.
HR 18 januari 1901, W. 7553. Zie ook Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/114 en 149.
De Jong & Roëll 2005, par. 8.1.1 en Westerhuis & De Jong 2015, p. 29-30. De stagnatie in de eerste helft van de 19e eeuw was volgens De Jong & Roëll te wijten aan de hoge staatsschuld, de afscheiding van België, dat traditioneel actiever was in productie dan het op handel gerichte Nederland, hoge transportkosten die mede gerelateerd waren aan de lastige infrastructuur in de laaggelegen gebieden, en enkele andere factoren zoals hoge grondstofkosten, hoge loonniveaus en lage opleidingsniveaus.
De Jongh 2014, nr. 103.
De Jongh 2014, nr. 104. De Jong & Roëll 2005, par. 8.1.3, merken op dat dit op zichzelf geen teken was van het ontbreken van investeringen, nu deze ook regelmatig buiten de beurs om plachten te geschieden.
De Jongh 2014, nr. 104. Timmerman, MvO 2020/5-6, par. 3 duidt de periode 1880-1940 aan als het tijdperk van de opkomst van ondernemingen.
Koninklijke Olie ging in 1907 een organisatorische samenwerking aan met Shell Transport and Trading Company waarbij de twee vennootschappen bleven voortbestaan als separate en genoteerde houdstervennootschappen van de samengevoegde onderneming. Deze situatie heeft voortgeduurd tot 2005, toen de groep werd geherstructureerd met aan het hoofd de houdstervennootschap Royal Dutch Shell plc, een Engelse vennootschap met haar hoofdkantoor in Den Haag en beursnoteringen in Londen, Amsterdam en New York. Royal Dutch Shell plc was in 2019 met een omzet van $397 miljard de op twee na grootste onderneming ter wereld gemeten naar omzet, zie Fortune Global 500 of 2019, te raadplegen via fortune.com.
Deze casusomschrijving is mede gebaseerd op De Jongh 2014, nrs. 126 en 127. Zie hierover ook Timmerman, Ondernemingsrecht 2018/78, par. 1; Hezer & Kemp, WPNR 2019/7222, par. 2.1.2 ; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/568.
In 1810 werd het Koninkrijk Holland onderdeel van het Franse Keizerrijk. Een jaar later werd in Nederland de Code de Commerce van kracht.1 Als gevolg daarvan kon men op het huidige Nederlandse grondgebied (toen dus Frankrijk) een société anonyme (SA) oprichten. Uit het Franse anonyme stamt nu nog het ‘naamloze’ in de aanduiding ‘naamloze vennootschap’.2 De SA vormde samen met de société en nom collectif en de société en commandite de drie mogelijke commerciële vennootschapsvormen onder het Franse recht.3 De bepalingen van de Code de Commerce van 1807 waren veelal van regelend recht en de SA was in veel opzichten een contractuele rechtsvorm.4 Hierbij was het uitgangspunt dat de aandeelhouders gezamenlijk een relatie aangingen door het oprichten van de SA, waarbij bestuurders slechts uitvoerend orgaan waren en in die zin lasthebbers (mandataires) van de aandeelhouders.5 De SA had in het begin van de 19e eeuw een voornamelijk besloten karakter.6 De wet gaf geen uitdrukkelijke zeggenschapsrechten aan aandeelhouders en bepaalde niet door wie bestuurders werden benoemd of ontslagen, maar wel dat de bestuurders ‘herroepbaar’ (révocables) waren.7 In de literatuur wordt aangenomen dat benoeming en ontslag van bestuurders werden geregeld in de statuten en dat dit door de aandeelhouders geschiedde, en dat de bestuurders overigens duidelijk ondergeschikt waren aan de aandeelhouders, die als lastgevers bevoegdheden delegeerden aan het bestuur.8 In de praktijk bleken inderdaad AV’s te worden gehouden waarin de jaarrekening en het dividend werden vastgesteld, bestuurders werden benoemd en ontslagen en waarin over andere aandeelhouderswaardige zaken werd besloten zoals ontbinding, fusie of statutenwijziging.9
De Code de Commerce bleef in Nederland van toepassing tot de inwerkingtreding van het Wetboek van Koophandel in 1838 (hierna: de Wet van 1838), dat na een langdurig wetgevingsproces werd ingevoerd10 en op de Franse leest was geschoeid.11 De regeling van de NV in het Wetboek van Koophandel uit 1838 was duidelijk maar summier12 – het kende 21 artikelen – en ging uit van de vennootschap als contractuele samenwerking tussen vennoten.13 Het bestuur functioneerde als agent voor de aandeelhouders.14 De voornaamste kenmerken van de regeling in de Wet van 1838 heb ik hieronder samengevat.
De NV had een kapitaal verdeeld in actiën (aandelen) op naam of ‘in blanco’ (aan toonder). De vennoten of aandeelhouders waren niet aansprakelijk voor meer dan het bedrag van hun aandelen.15
De NV werd bestuurd door bestuurders die daartoe door de aandeelhouders werden aangesteld, al dan niet onder toezicht van commissarissen.16
De bestuurders waren “niet verder verantwoordelijk, dan ter zake van” een behoorlijke uitvoering van hun taak en niet aansprakelijk jegens derden behalve (1) voor handelingen verricht voorafgaand aan inschrijving en bekendmaking van de oprichting van de vennootschap,17 (2) bij overtreding van de bepalingen van de akte van oprichting of latere statutenwijzigingen18 en (3) voor verplichtingen die waren aangegaan nadat zij wisten of hadden moeten weten van een dusdanige vermindering van het kapitaal dat de NV van rechtswege ontbonden werd.19
Minimaal eens per jaar deden de bestuurders opgave van de winsten en verliezen van de NV, in een AV, door toezending van een afschrift aan iedere vennoot of door het aankondigen van de mogelijkheid tot inzage daarvan.20
Artikel 46 van de Wet van 1838 schreef voor dat de NV voor een bepaalde tijd moest worden aangegaan. Die bepaalde tijd kon weliswaar telkens verlengd worden, maar de onbepaalde levensduur van de vennootschap was niet het uitgangspunt van de wettelijke regeling, in tegenstelling tot bij de huidige NV, die dwingendrechtelijk wordt opgericht voor onbepaalde tijd.21 Het was onder de regeling van de Wet van 1838 ook lang onduidelijk of een NV een eigen rechtspersoonlijkheid bezat en dit leidde tot “heftige debatten” in de literatuur.22 Pas in 1901 bepaalde de Hoge Raad dat de NV een “zelfstandig subject van rechten, geheel afgescheiden van de personen harer aandeelhouders” was.23
De eerste helft van de 19e eeuw was er in Nederland in economisch opzicht – in vergelijking met omliggende landen – sprake van een periode van relatieve stagnatie; pas in de tweede helft van de 19e eeuw kwam de industriële ontwikkeling echt op gang.24 Vanaf die periode won de NV als ondernemingsvorm snel aan populariteit. Waren er in 1860 nog 284 NV’s, in 1880 waren dit er 511 en in 1920 al 17.000.25 Op de Amsterdamse beurs werden vooral buitenlandse staatsobligaties en aandelen verhandeld. In 1870 waren er slechts acht Nederlandse beursvennootschappen,26 maar tegen het einde van de 19e eeuw nam het aantal beursvennootschappen sterk toe.27
Rond diezelfde tijd, in 1890, werd N.V. Koninklijke Nederlandse Petroleum Maatschappij opgericht, ook bekend als Koninklijke Olie (het huidige Royal Dutch Shell).28 Haar aandelen werden genoteerd aan de Amsterdamse beurs.29 Acht jaar later kwam het bestuur van Koninklijke Olie met het destijds opzienbarende voorstel om de zeggenschap van buitenlandse aandeelhouders te beperken door middel van preferente prioriteitsaandelen. De achtergrond van het voorstel was dat het bestuur van Koninklijke Olie zich wilde beschermen tegen mogelijke avances van haar Amerikaanse concurrent Standard Oil, waardoor de onderneming en aandelenkoers van Koninklijke Olie negatief zouden kunnen worden beïnvloed. Het voorstel van het bestuur hield in dat preferente aandelen op naam zouden worden uitgegeven aan ingezetenen of vennootschappen in Nederland en Nederlands-Indië, welke aandelen slechts konden worden overgedragen na goedkeuring van preferente aandeelhouders. De aandelen hadden een preferent karakter omdat daaraan een winstpreferentie was toegekend, maar ook een prioriteitskarakter, nu de vergadering van preferente aandeelhouders het recht kreeg om bindende voordrachten te doen voor de benoeming van bestuurders, commissarissen en de vertegenwoordiger in Nederlands-Indië. Voor besluiten tot statutenwijziging, ontbinding en aandelenemissie was goedkeuring van diezelfde vergadering vereist. Ondanks protesten, en ondanks dat de richtlijnen van het departement van Justitie bepaalden dat een benoeming door de AV nimmer op voordracht van anderen mocht geschieden, werd de oligarchische regeling doorgevoerd. Als gevolg van de discussie die hierover ontstond, werd uiteindelijk in 1917 een beleidswijziging doorgevoerd op het departement van Justitie waarbij een bindend voordrachtsrecht bij bestuurdersbenoemingen werd toegestaan.30