Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/1.2
1.2 Inbedding en relevantie van het onderzoek
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685344:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Schlössels & Schutgens 2022a, p. X en XVII wijzen in dat kader op de kritiek op de traditionele ‘marginale toetsing’. Schlössels & Schutgens 2022b, p. 640-641 constateren een versterking van de rechtsbescherming van de burger door een indringendere toetsing aan het evenredigheidsbeginsel en toepassing van maatwerk door de bestuursrechter. Zie ook Lessen uit de kinderopvangtoeslagzaken. Reflectierapport van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Den Haag november 2021, hoofdstuk 6 en Barkhuysen & Den Ouden 2022, par. 2 over ‘zelfreflecties’.
Ortlep 2020b. Die responsiviteit ziet niet alleen op de wetgever en het bestuur, maar ook op de rechter. Ippel 2020 wijst op het beginsel van de dienende overheid als grondslag voor responsief bestuursrecht. Onder andere Barkhuysen & Den Ouden 2020, onder 3 en Giezeman & Jak 2020 wijzen eveneens op de trend van responsiviteit.
Zie bijv. Huisman 2019. De discussie is verder opgelaaid naar aanleiding van ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:898, AB 2020/307, m.nt. L.M. Koenraad en C.N.J. Kortmann, waarin de Afdeling oordeelt dat een verzoek tot schadevergoeding wegens met de AVG strijdige verwerking van persoonsgegevens mogelijk is, terwijl het daarmee samenhangende besluit niet per se onrechtmatig hoeft te zijn. Koenraad en Kortmann plaatsen de uitspraak onder 28 van hun annotatie in de discussie ‘over het vervangen van het besluitenprocesrecht door het ‘rechtsbetrekkingenprocesrecht’’.
Zie bijv. Damen 2020b en Y.E. Schuurmans, A.E.M. Leijten & J.E. Esser, Bestuursrecht op Maat (in opdracht van BZK), Leiden: Universiteit Leiden 2020. Zie in het verlengde hiervan ook de conclusies van A-G’s Widdershoven en Wattel over de evenredigheidstoets in het bestuursrecht van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1468; de conclusie van AG Wattel van 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:516 over de toetsing van lagere wetgeving aan het evenredigheidsbeginsel; de conclusie van A-G Snijders van 18 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1441 over de toetsing van formele wetten aan het evenredigheidsbeginsel en de conclusie van A-G Widdershoven van 18 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1440 over de toetsing van beleidsregels aan het evenredigheidsbeginsel. De conclusies werden gevraagd onder andere naar aanleiding van de toeslagenaffaire. Zie ook het Verslag van de werkgroep juridische reflectie. Ten behoeve van de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van de State over de kinderopvangtoeslagzaken, Den Haag november 2021, hoofdstuk 6 waarin op p. 233 wordt opgemerkt dat rechters meer maatwerk moeten leveren.
Lessen uit de kinderopvangtoeslagzaken. Reflectierapport van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Den Haag november 2021 en Werkgroep reflectie toeslagenaffaire rechtbanken, Recht vinden bij de rechtbank. Lessen uit kinderopvangtoeslagzaken, Den Haag oktober 2021.
Zie het rapport Ongekend onrecht van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag uit 2021.
Zie Peters 2022 die crises als het COVID-19-virus, de oorlog in Europa, vluchtelingenstromen en immens menselijk leed benoemt en wijst op een onderzoek van de Erasmus Universiteit dat afnemend vertrouwen in de overheid aantoont. Hij merkt op dat het vertrouwen in de overheid voor Nederlandse begrippen dramatisch laag is. In de Troonrede van 2022 is gewezen op het geschonden vertrouwen van ‘de inwoners van het aardbevingsgebied in Groningen en de slachtoffers van de toeslagenaffaire’. Het kabinet werkt daarom aan ‘verbetering van de publieke dienstverlening en daarmee aan mogelijk herstel van vertrouwen’. Op de toeslagenaffaire en de aardbevingsschade werd ook in de Troonrede van 2021 gewezen.
Kuipers 2021, p. 24 en Peters 2022.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006, NJ 2020/41, AB 2020/24 (Urgenda); HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1223, NJ 2019/356 (Moeders van Srebrenica) en HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409, NJ 2020/233, AB 2020/1 (Schietincident Alphen aan den Rijn).
Bijzondere aandacht gaat uit naar het vereiste van causaliteit: het gaat om een vergelijking tussen de feitelijke situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en de hypothetische situatie waarin in plaats van het onrechtmatige besluit een rechtmatig besluit zou zijn genomen. Die hernieuwde aandacht is gestart door HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1112, NJ 2016/291, AB 2017/232 (Hengelo/Wevers) en HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:18, NJ 2017/62, AB 2017/407 (UWV/X). Zie ook HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1510, NJ 2020/359 (X/Gemeente Sluis) en HR 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:115, NJ 2022/182, JB 2022/70 (X/Gemeente Waalre) en over causaliteit en het besluitenaansprakelijkheidsrecht in brede zin de dissertatie (Nijmegen) van Fruytier uit 2021 De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht. Onrechtmatigheid, causaliteit, redelijke toerekening en relativiteit in het algemene en het besluitenaansprakelijkheidsrecht.
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, AB 2019/302 (Dakterras) en HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1654, BNB 2022/10 (Dispositievereiste bij inlichtingen).
HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, NJ 2020/391, AB 2019/519 (Aardgaswinning Groningen) en ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466, AB 2019/436 (Formele rechtskracht bij invorderingsbeschikking).
Zie ook (opnieuw) HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1957, NJ 2022/236, AB 2022/134 (Toezegging aanleg brug). Het proefschrift (Leiden) van Kuipers gaat over vertrouwenwekkend schadebeleid van de overheid bij grootschalige infrastructurele projecten waarbij de overheid omwille van het algemeen belang schade voor een groep burgers heeft gefaciliteerd.
Van de Sande 2019a.
Cramwinckel 2022. Dit proefschrift heb ik, hoewel verschenen na de eigenlijke afronding van mijn manuscript, vanwege zijn toegevoegde waarde in mijn onderzoek betrokken.
Deze vaste volgorde hanteer ik op basis van afnemende mate van juridische binding. De overheid wekt uiteraard ook via andere uitlatingen vertrouwen. Zo onderzoekt Verheij 1997 in zijn preadvies vertrouwen op wet, beleid, besluiten en toezeggingen.
De vraag is wel opgeworpen of bevoegdhedenovereenkomsten een plek in de Awb zouden moeten krijgen, zie Commissie Europeanisering algemeen bestuursrecht 2021 en eerder Huisman 2012, hoofdstuk 9 en Van Ommeren 2010.
Deze term is door Bloembergen in zijn dissertatie geïntroduceerd, zie hierover Bloembergen 1977e, p. 126.
Wel is eerder door Menu 1994 een vergelijking gemaakt naar overheidstoezeggingen in het privaatrecht en bestuursrecht en zijn bevoegdhedenovereenkomsten (door Huisman 2012) en inlichtingen (door Van de Sande 2019a) zelfstandig onderwerp geweest van proefschriftonderzoek.
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, AB 2019/302.
HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1654, BNB 2022/10.
HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1957, NJ 2022/236, AB 2022/134 134 (Toezegging aanleg brug).
Zie HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1957, NJ 2022/236, AB 2022/134 (Toezegging aanleg brug), rov. 3.2.1.
Het vertrouwen op maatschappelijk niveau in de overheid is een van de structurele voorwaarden voor stabiliteit van een politiek systeem of regime, Kuipers 2021, p. 24 en Desmet 2012, onder 2. Kuipers 2021 schrijft op p. 25 dat vertrouwen in de overheid leidt ‘tot een betrokken bevolking die actief participeert in de democratie en een grotere kans op naleving van regels en beleid. Vertrouwen in de overheid legitimeert de democratische rechtsstaat.’ Vgl. ook de opvatting dat het overheidsaansprakelijkheidsrecht uiteindelijk strekt tot herstel van het vertrouwen in de rechtsstaat, Schutgens 2018, par. 7.5 met verwijzingen aldaar.
Dit onderzoek vindt plaats in volatiele tijden voor zowel het bestuursrecht als het civiele recht. In het bestuursrecht is sprake van een tendens waarin de rechtspraak en de wetgever kort gezegd meer oog hebben voor de individuele burger. Besluiten worden indringender getoetst aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur,1 sprake is van een trend van deformalisering, er bestaat veel aandacht voor het burgerperspectief en responsief bestuursrecht2 en er is veel geschreven over maatwerk en de wenselijkheid de toegang tot de bestuursrechter (slechts) te koppelen aan een appellabel besluit3. Die belangstelling voor maatwerk leidde in 2020 tot VAR-preadviezen en suggesties als een bestuursrecht van twee gestrengheden waarbij een ‘strenger’ bestuursrecht wordt toegepast in geval van meerpartijenverhoudingen.4 Naar aanleiding van de toeslagenaffaire heeft binnen de bestuursrechtspraak veel reflectie plaatsgevonden op de rol van de bestuursrechter in de maatschappij. Uit die reflectie is onder meer de oproep gekomen om bij geschilbeslechting meer naar de individuele omstandigheden van het geval te kijken om zo in het concrete geval meer recht te (kunnen) doen.5 Hoewel de toeslagenaffaire ziet op een andere problematiek dan mijn onderzoek en hopelijk eenmalig ‘ongekend onrecht’6 zal blijken, onderstreept die affaire het belang van een betrouwbare overheid. Mede door die affaire bestaat grote zorg over het afnemend vertrouwen in de overheid.7 Dit afgenomen vertrouwen heeft de potentie de rechtsstaat te ondermijnen.8 Hoewel het ‘juridisch gerechtvaardigd vertrouwen’ van dit onderzoek slechts een deelonderdeel vormt van dat vertrouwen in de overheid, kan meer duidelijkheid over ‘juridisch gerechtvaardigd vertrouwen’ een bijdrage leveren aan het herstel van vertrouwen in de overheid en betrouwbaarheid van de overheid. Zoals ik zal betogen, is dat ook nodig nu het geldende recht mijns inziens niet meer voldoende is afgestemd op de werkelijkheid die het bestrijkt.
Het civiele overheidsaansprakelijkheidsrecht staat tot slot ook in brede zin in de schijnwerpers, onder andere door arresten van de Hoge Raad in spraakmakende zaken als Urgenda, Moeders van Srebrenica en Schietincident Alphen aan den Rijn.9 In het bijzonder is het besluitenaansprakelijkheidsrecht – voornamelijk de inhoudelijke afstemming tussen de bestuursrechter en de civiele rechter – een belangrijke bron van juridische overpeinzingen.10
Meer specifiek is de afgelopen jaren principiële jurisprudentie gewezen over het vertrouwensbeginsel11 en het leerstuk van de formele rechtskracht12 en veel rechtsliteratuur over vertrouwen op de overheid verschenen. Niet alleen het vertrouwensbeginsel in bestuursrechtelijke zin, maar ook de civielrechtelijke gevolgen van een schending van gerechtvaardigd vertrouwen kunnen de afgelopen jaren rekenen op de nodige aandacht.13 Zo verschenen in 2018 VAR-preadviezen over de toekomst van de formele rechtskracht en in 2019 over vertrouwen in de overheid. In 2019 promoveerde S.A.L. van de Sande op een onderzoek naar overheidsaansprakelijkheid voor onjuiste informatieverstrekking14 en over het bestuursrechtelijke vertrouwensbeginsel schrijft L.J.A. Damen al jaren vele annotaties en artikelen. In 2022 verdedigde T.A. Cramwinckel haar proefschrift over de toepassing van het vertrouwensbeginsel in het belastingrecht bij voorlichting.15
De overheid kan vertrouwen wekken via verschillende kanalen en op diverse wijzen. Mijn onderzoek spitst zich toe op drie soorten overheidsuitlatingen, te weten ‘bevoegdhedenovereenkomsten’, ‘toezeggingen’ en ‘inlichtingen’ (inlichtingen noem ik ook wel ‘informatieverstrekking’).16 Er zijn verschillende redenen om juist deze uitlatingen te onderzoeken. Ten eerste kunnen al deze uitlatingen tot op zekere hoogte zowel door de civiele rechter als de bestuursrechter worden beoordeeld (in tegenstelling tot bijvoorbeeld appellabele besluiten, waarvan de rechtmatigheid slechts ter toetsing bij de bestuursrechter staat). Ten tweede is geen van deze overheidsuitlatingen – noch in het bestuursrecht, noch in het civiele recht – duidelijk, laat staan wettelijk, gedefinieerd (in tegenstelling tot bijvoorbeeld een beschikking17 of beleidsregel18).19 Die onduidelijkheid leidt er – ten derde – toe dat juist op deze uitlatingen een burger vaak meer dan ‘juridisch’ relevant meent te kunnen vertrouwen en later bedrogen uitkomt. Ten vierde zijn deze uitlatingen naar hun aard (in beginsel) individueel, althans in zekere zin toegespitst, in tegenstelling tot opnieuw bijvoorbeeld beleidsregels of algemeen verbindende voorschriften. Ten vijfde zijn de onderlinge grenzen tussen deze uitlatingen onscherp. Een bevoegdhedenovereenkomst kan worden gekwalificeerd als een schriftelijke toezegging van de overheid, terwijl een toezegging soms weliswaar niet een rechtshandeling oplevert, maar mogelijk wel leidt tot aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad. Het onderscheid tussen inlichtingen enerzijds en toezeggingen anderzijds leidt bovendien al jaren tot afbakeningsproblematiek. In dit onderzoek betoog ik dat het onderscheid tussen inlichtingen en toezeggingen juridisch van belang en mijns inziens ook houdbaar is, maar dat op dit punt nadere uniformiteit tussen het bestuursrecht en civiele recht wenselijk is. Bovengenoemde kenmerken leiden er tot slot toe dat de door mij onderzochte uitlatingen kwantitatief een belangrijke bron van rechtspraak vormen. Dat maakt een onderzoek naar deze uitlatingen ook relevant.
Voor een nieuw onderzoek bestaan op grond van het bovenstaande goede redenen. Niet alleen brengt dit onderzoek voor het eerst het bestuursrechtelijke vertrouwensbeginsel en een schending van gerechtvaardigd vertrouwen in het civiele recht in een breed perspectief samen, evenmin is eerder een interne rechtsvergelijking20 gemaakt tussen de door mij onderzochte overheidsuitlatingen.21 Bovendien is de afgelopen jaren principiële jurisprudentie gewezen over de rechtsgevolgen van een schending door de overheid van gerechtvaardigd vertrouwen.
Voor het bestuursrecht heeft de Dakterras-uitspraak22 – in vervolg op de conclusie van A-G Wattel over het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht – van 29 mei 2019 van de Afdeling de nodige sturing gebracht in de bestuursrechtspraak. Op 5 november 2021 is de belastingkamer van de Hoge Raad met verwijzing naar ‘huidige rechtsopvattingen’ en ‘doeltreffende rechtsbescherming’ op 42 jaar oude rechtspraak teruggekomen door voor gerechtvaardigd vertrouwen op voorlichting en inlichtingen niet langer het dispositievereiste uit te leggen als ‘daarenboven geleden schade’.23 Tot slot wees de civiele kamer van de Hoge Raad op 24 december 202124 een principieel arrest over de nakoming van overheidstoezeggingen.
De door de rechters toegepaste materiële voorwaarden wijken van elkaar af.25 Dit rechtvaardigt een nieuwe studie naar de rechtsdogmatische uitwerking van het beginsel van bescherming van door de overheid gewekt gerechtvaardigd vertrouwen. Gelet op het belang van vertrouwen in en op de overheid – welk vertrouwen bepaald geen gegeven is – en voor het functioneren van de rechtsstaat in het algemeen,26 is het nuttig de vereisten om een overheid met succes aan te spreken voor een vertrouwensschending inzichtelijk te maken en te onderzoeken op welke punten die vereisten kunnen of zouden moeten worden aangepast om gerechtvaardigd vertrouwen waar nodig beter te beschermen.