Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/15.4.3.1
15.4.3.1 Schakelbepaling: automatisch bezwaar en beroep tegen de boete
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940623:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2021/22, 36 107, nr. 6, p. 6 (ter onderbouwing verwees de Staatssecretaris van Financiën naar art. 6:6 Awb).
Art. 24a lid 2 AWR. Vóór 2023 bestond er voor elke procesfase een afzonderlijke schakelbepaling, zie art. 24a lid 2, art. 26b lid 2, art. 27h lid 2 en art. 28 lid 6 AWR (oud). Onder deze schakelbepalingen werd het bezwaar of beroep tegen de aanslag ook geacht te zijn gericht tegen de boete, tenzij uit het bezwaar- of beroepschrift (uitdrukkelijk) het tegendeel bleek.
Zie voor een voorbeeld de zaak die heeft geleid tot Hof Arnhem-Leeuwarden 25 januari 2022, V-N 2022/10.17 (in het bijzonder r.o. 6.3 van de voorafgaande uitspraak van de rechtbank).
HR 28 oktober 2011, V-N 2011/53.15, BNB 2012/25. De Hoge Raad kwam tot dit oordeel vanwege de (destijds geldende) schakelbepaling van art. 27h lid 2 (toen nog: lid 4) AWR, die de regel van art. 24a lid 2 AWR (oud) van overeenkomstige toepassing verklaart in de hoger beroepsfase, zonder die te beperken tot de belastingplichtige.
HR 16 september 2022, V-N 2022/40.13, BNB 2022/132, r.o. 2.3.2. De Hoge Raad gaf vervolgens (in r.o. 2.3.3) een inhoudelijk oordeel over de beslissing van het Hof over de boete, zonder dat de inspecteur dat oordeel in cassatie als zodanig had aangevochten.
De Fiscale Verzamelwet 2023 (36 107) heeft hier verandering in gebracht (Stb. 2022, 530). Het nieuwe systeem geldt voor aanslagbiljetten met een dagtekening vanaf 1 januari 2023 (art. XVI lid 1 onderdeel f).
Zie voor enkele voorbeelden waarin dit punt naar voren komt Hof Arnhem-Leeuwarden 12 juli 2022, V-N 2022/50.25.8, r.o. 4.1-4.4 en Rb Zeeland-West-Brabant 9 oktober 2018, V-N 2019/22.16.
Art. 24a lid 2 AWR.Zie ook Kamerstukken II 2021/22, 36 107, nr. 3, p. 5-12 en 37-39.
De boeteling kan (nog steeds) wel uitdrukkelijk afzien van de betwisting van de opgelegde boete. Zie daarover nader paragraaf 15.5.2 en vgl. Kamerstukken II 2021/22, 36 107, nr. 3, p. 7-8 en 38-39.
Vgl. HR 10 januari 1990, BNB 1990/258 en HR 2 december 1992, BNB 1993/91. Hof Amsterdam 4 september 2018, V-N 2019/6.20, paste de schakelbepaling ook in een dergelijk geval toe (r.o. 6).
Zie de aankondiging in de Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 december 2018, V-N 2019/3.3 (antwoord 15 op de feitelijke vragen 22ste Halfjaarsrapportage Belastingdienst).
Kamerstukken II 2023/24, 36 428, nr. 3, p. 14. Als dat bezwaarschrift buiten de bewaartermijn wordt ingediend, zal het naar mijn mening moeten worden aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. Het rechtstreeks indienen van een (afzonderlijk) verzoek om ambtshalve vermindering van de boete is uiteraard ook mogelijk.
Een bezwaar, (hoger) beroep of beroep in cassatie dat is ingesteld tegen een belastingaanslag wordt geacht tevens gericht te zijn tegen de daarmee samenhangende boete, mits (het bedrag van) deze boete op hetzelfde aanslagbiljet is vermeld. De boete maakt op grond van een wetsfictie voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep dan namelijk onderdeel uit van de belastingaanslag.1 Als de boeteling in bezwaar komt tegen de aanslag, maar geen gronden tegen de boete aanvoert, verwacht de Staatssecretaris van Financiën in dit kader van de inspecteur dat hij actief navraag doet bij de boeteling naar eventuele gronden tegen de boete.2
Deze schakelbepaling is als wetsfictie geredigeerd.3 De fictie voorkomt dat een boeteling over het hoofd ziet dat de boete – ook al staat die slechts als apart regeltje vermeld op het aanslagbiljet – een afzonderlijke beschikking is, waardoor hij onbedoeld zijn rechtsingang zou verspelen.4 Hoewel de rechtsbescherming van de boeteling voorop staat, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wetsfictie evenzeer geldt voor het hoger beroep dat de inspecteur kan instellen.5 Hetzelfde geldt voor een door de Staatssecretaris van Financiën ingesteld beroep in cassatie.6
In de spiegelbeeldsituatie ontbrak tot 20237 een schakelbepaling: een tegen de boete ingediend bezwaar of beroep werd niet automatisch geacht tevens te zijn gericht tegen de onderliggende belastingaanslag, ook niet als beide beschikkingen op hetzelfde aanslagbiljet waren vermeld.8 Thans is echter voorzien in een wederkerig systeem, dat erop neer komt dat alle voor bezwaar vatbare beschikkingen die op hetzelfde aanslagbiljet staan (waaronder bijvoorbeeld boetebeschikkingen) geacht worden deel uit te maken van de belastingaanslag.9 Het maakt voor wat betreft de ontvankelijkheid nu dus niet meer uit tegen welke specifieke beschikking het bezwaar of beroep (aanvankelijk) wordt gericht.10 Daarbij heeft de wetgever bovendien nadrukkelijk bedoeld dat de huidige schakelbepaling doorwerkt naar latere procesfasen. Dat wil zeggen dat het mogelijk is om pas in een latere procesfase voor het eerst gronden aan te voeren tegen (bijvoorbeeld) de boete, ook als dat in (een) eerdere procesfase(n) niet is gebeurd.11
Een te laat (of nader) ingediend aangiftebiljet pleegde te worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de intussen opgelegde (ambtshalve) aanslag.12 Inmiddels vat de Belastingdienst een dergelijk aangiftebiljet echter op als een verzoek om ambtshalve vermindering.13 Op dit moment (2023) geldt de schakelbepaling ook in het kader van de ambtshalve vermindering van een belastingaanslag in de inkomstenbelasting onverkort.14 Dat wordt anders: de wetgever heeft voorgesteld om buiten de reguliere bezwaartermijn ingediende (herziene) aangiften vanaf 2024 niet (meer) automatisch aan te merken als verzoek om ambtshalve vermindering van de met de aanslag samenhangende verzuimboete van art. 67a AWR.15 Dat zou betekenen dat de belastingplichtige in de toekomst afzonderlijk bezwaar zal moeten indienen tegen die boete.16