Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/9.9:9.9 Rechtszekerheid vs. flexibiliteit in het Europese IPR-bevoegdheidsrecht
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/9.9
9.9 Rechtszekerheid vs. flexibiliteit in het Europese IPR-bevoegdheidsrecht
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS431771:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Rechtszekerheid en flexibiliteit. Deze twee uitersten spelen ook een rol in het Europese IPR-bevoegdheidsrecht. Op 1 maart 2005 is de Verordening Brussel Ilbis in werking getreden met daarin een mogelijkheid om een zaak betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid op grond van forum non conveniens-overwegingen tussen de gerechten van lidstaten te verwijzen, indien zulks in het belang van het kind is (art. 15). Ook in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid is de rechtszekerheid een belangrijk uitgangspunt. De bij een procedure betrokken partijen zullen op grond van de bevoegdheidsregels van de Verordening Brussel ais zoveel mogelijk moeten kunnen voorspellen welk gerecht bevoegd is om van de zaak kennis te nemen. Toch vraagt het belang van het kind ook hier om een open norm, een flexibiliteitsmechanisme waarmee de rechtsmacht kan worden afgestemd op het belang van het kind. Zie ook art. 4 lid 3 sub b Rv en art. 5 Rv. Indien het belang van het kind daarom vraagt moet de mogelijkheid bestaan dat de ten gronde bevoegde rechter van een lidstaat de zaak op basis van forum non conveniens-overwegingen overdraagt aan de rechter van een lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft. Het is onvermijdelijk dat de toepassing van de forum non conveniens-verwijzing ten koste gaat van de rechtszekerheid. Desondanks is deze open norm in de bevoegdheidsregeling van de Verordening Brussel Ilbis gerechtvaardigd, omdat het belang van het kind daar nu eenmaal om vraagt. Dezelfde overwegingen hebben een rol gespeeld bij het mogelijk maken van forum non conveniens onder het Nederlandse commune bevoegdheidsrecht. Art. 4 lid 3 sub b Rv stelt de Nederlandse rechter in staat om de rechtsmacht van de echtscheidingsrechter ten aanzien van een nevenverzoek tot gezag en/of omgang af te stemmen op het belang van het kind. Zolang het belang van het kind uitgangspunt blijft bij de allocatie van rechtsmacht, zal het forum non conveniens-leerstuk naar mijn mening steeds deel blijven uitmaken van mondiale, communautaire en commune rechtsmacht-regels op het terrein van de ouderlijke verantwoordelijkheid.
Onder het EEX-Verdrag en de EEX-Verordening blijkt het beginsel van rechtszekerheid een belangrijke hoeksteen van het bevoegdheidsstelsel te zijn. Het HvJ EG heeft met de beslissing van 1 maart 2005 in Owusu duidelijk gemaakt dat ook maar de geringste aantasting van het rechtszekerheidsbeginsel niet wordt geduld. Het Hof kiest heel duidelijk voor rechtszekerheid en voorspelbaarheid en slaat minder acht op flexibiliteit. Owusu is hét bewijs dat er onoverbrugbare verschillen bestaan tussen civil law- en common law-rechtsstelsels als het gaat om de afbakening van internationale bevoegdheid. Civil law-landen zijn nu eenmaal meer gesteld op rechtszekerheid in het jurisdictierecht, terwijl common law-landen doorgaans meer hechten aan flexibiliteit en het niet zo nauw nemen met de voorspelbaarheid van rechtsmacht. Aangezien het EEX-Verdrag en de EEX-Verordening in het algemeen zijn geïnspireerd op de rechtsstelsels van de civil law, behoeft het niet te verbazen dat als het eenmaal aankomt op een 'clash' tussen de beide stelsels het HvJ EG de voorkeur geeft aan de oplossing die het meeste aansluit bij de civil law. Met de prejudiciële beslissing in Owusu is de rol van forum non conveniens in het Europese IPR-bevoegdheidsrecht met betrekking tot burgerlijke en handelszaken uitgespeeld. Uiteraard staat het de lidstaten vrij om het forum non conveniens-leerstuk in commune gevallen te blijven handhaven (denk aan het Verenigd Koninkrijk). Het EEX-Verdrag en de EEX-Verordening hebben een belangrijk uitstralingseffect gehad op de regels van commune rechtsmacht van menige lidstaat. Dat geldt ook voor Nederland. Dit zal ertoe leiden dat bij de uitleg van commune bevoegdheidsregels die zijn ontleend aan het EEX-Verdrag of de EEXVerordening, de rechtspraak van het HvJ EG over het verdrag en de verordening (inclusief Owusu) in beginsel zoveel mogelijk navolging zal krijgen.