Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/9.2:9.2 De introductie van forum non conveniens in het Nederlandse recht; art. 429c Rv oud
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/9.2
9.2 De introductie van forum non conveniens in het Nederlandse recht; art. 429c Rv oud
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS436762:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoofdstuk 2handelt over de op 1 januari 1970 in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ingevoerde Nederlandse forum non conveniens-variant. Ingevolge art. 429c Rv oud verklaarde de formeel bevoegde Nederlandse rechter zich in internationale verzoekschriftzaken onbevoegd, indien het verzoek onvoldoende aanknopingspunten met de rechtssfeer van Nederland had. De introductie van deze toets van voldoende verbondenheid hing samen met het in de rechtspraak ontwikkelde stelsel van 'distributie bepaalt attributie'. Bij gebreke van een algemene wettelijke regeling werd de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter, buiten de toepassing van verdragen, afgeleid uit de bepalingen inzake de interne relatieve competentie. De relatief bevoegde rechter was tevens internationaal bevoegd. Dit stelsel, dat gold in zowel dagvaardings- als verzoekschriftprocedures, kon tot onbedoelde of exorbitante rechtsmacht leiden. Dat was met name het geval bij de restbevoegdheid van de Haagse rechter; als de gewone regels van relatieve competentie in verzoekschriftprocedures geen bevoegde rechter aanwezen, was de rechter te ' s-Gravenhage relatief bevoegd. Daarmee was de verzoeker altijd van een relatief en dus internationaal bevoegd gerecht verzekerd, zelfs indien de zaak geen enkele binding met Nederland had. Met de forum non conveniens-correctie van art. 429c Rv oud maakte de wetgever een inbreuk op het gesloten stelsel van 'distributie bepaalt attributie'. Forum non conveniens corrigeerde de verstrekkende of exorbitante rechtsmacht, zodra de zaak onvoldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer had (par. 2.2). De toets van voldoende verbondenheid strekte zich in beginsel uit tot alle verzoekschriftprocedures, zowel van vermogensrechtelijke als personen- en familierechtelijke aard. Hierop bestonden wettelijke uitzonderingen, zie art. 814 lid 2 Rv oud (echtscheidingsprocedures) en art. 821 lid 5 Rv oud (voorlopige voorzieningen tijdens echtscheidingen) (par. 2.4). Forum non conveniens vond geen toepassing in dagvaardingsprocedures, met uitzondering van de internationale kortgeding praktijk (par. 2.5). Het personen- en familierecht en in het bijzonder de nevenvoorziening inzake gezag en/of omgang met betrekking tot kinderen (par. 2.6.1), alsmede de nevenvoorziening inzake het voortgezet gebruik van of het huurrecht over de voormalige echtelijke woning (par. 2.6.2), was het voornaamste werkterrein van het forum non conveniens.
In welke gevallen was het verzoek onvoldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden? De concretisering van forum non conveniens was casuïstisch. Van geval tot geval werd beoordeeld of de Nederlandse rechter forum non conveniens was. De Nederlandse rechter achtte zich forum non conveniens indien bijvoorbeeld het kind (in geval van ouderlijke verantwoordelijkheid) of de meerderjarige (in geval van meerderjarigenbescherming) zijn gewone verblijfplaats in het buitenland had. Ten aanzien van een voorziening inzake de echtelijke woning achtte de Nederlandse rechter zich forum non conveniens indien deze woning in het buitenland was gelegen. Hierop werden evenwel uitzonderingen gemaakt indien met de tussenkomst van de Nederlandse rechter een rechtens erkenbaar belang was gemoeid, bijvoorbeeld omdat de partijen onderling overeenstemming hadden bereikt over de inhoud van de te nemen gezagsof omgangsmaatregel dan wel over het toekomstig gebruik van de voormalige echtelijke woning (par. 2.6.1-2.6.2). Een forum non conveniens-verklaring bleef ook achterwege indien de verzoeker in een vacuum van rechtsmacht dreigde te belanden. Als de verzoeker zich na een Nederlandse forum non conveniens-beslissing geen toegang kon verschaffen tot een buitenlands gerecht kwam forum non conveniens niet tot stand. De Nederlandse rechter verklaarde zich dan bevoegd uit overwegingen van `déni de justice' , zelfs als de zaak geen of slechts geringe feitelijke binding met Nederland vertoonde. Het belang dat de verzoeker bij een Nederlandse beslissing had, creëerde dan als het ware de door art. 429c Rv oud vereiste band met de Nederlandse rechtssfeer (par. 2.6.3-2.6.4).