Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.4.6
3.4.6 Nakoming van de vordering mag niet blijvend onmogelijk zijn
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950319:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over art. 6:54 aanhef en onderdeel b BW uitvoeriger Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/52; Asser/Sieburgh 6-I 2020/280; Klomp 2018a, aant. 4, en Linssen 1993, p. 174. Zie kennelijk anders Rb. Limburg 10 maart 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:1828, r.o. 4.15. Dit artikelonderdeel is op grond van art. 6:264 BW niet van toepassing in geval van opschorting op grond van de enac (art. 6:262 BW) en de onzekerheidsexceptie (art. 6:263 BW). Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 7 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7133, r.o. 5.10, waarin de opschorting van de betaling huurpenningen voor de periode waarin het gebruik van het gehuurde is ontzegd, is gehonoreerd.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 212. Daarbij is opgemerkt dat in dat geval opschorting op grond van art. 6:262 BW wel is toegelaten (art. 6:264 BW), omdat de opschorting dan fungeert als inleiding op de ontbinding. Stutterheim 1990, p. 150, voetnoot 32, betoogt dat dit ‘inleiding-tot-ontbinding argument’ op een misverstand berust. Zie voor voorbeelden van de toepassing van art. 6:54 aanhef en onderdeel b BW Hof ’s-Hertogenbosch 12 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2339, r.o. 3.2.10 en Hof Arnhem-Leeuwarden 11 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4558, r.o. 5.10. Onjuist, want in strijd met de functie van pressiemiddel, is mijns inziens het oordeel dat opschorting ‘geen nut’ heeft als de wederpartij niet wil nakomen (Rb. Gelderland 23 januari 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:389, r.o. 4.4).
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 213.
Zie ook § 2.5.2.
Zie § 2.8.
Zie ook Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/15 onderdeel d.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/52 en De Jong, Niet-nakoming van verbintenissen (Mon. BW nr. B33) 2017/42.1. Dat kan ook een vordering tot vervangende schadevergoeding zijn (zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 16 augustus 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:7163, r.o. 3.7). Zie anders Rb. Noord-Holland 9 februari 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:810, r.o. 4.13. Vgl. Rb. Gelderland 12 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4058, r.o. 4.47, waarin een beroep op opschorting van de herstelmaatregelen werd gepasseerd, omdat inmiddels vervangende schadevergoeding werd gevorderd.
Artikel 6:54 aanhef en onderdeel b BW bepaalt dat geen opschortingsbevoegdheid bestaat voor zover de nakoming van de vordering blijvend onmogelijk is.1 De gedachte van deze bepaling is dat opschorting als pressiemiddel in dit geval ‘geen zin’ heeft.2 De wederpartij kan immers niet worden gedwongen tot nakoming van een vordering of gedeelte daarvan als zij die niet kan nakomen. Voorts zou een opschorting in afwachting van een blijvend onmogelijke nakoming ‘een permanent karakter dragen’ en de schuldenaar in staat stellen zich ‘eigenmachtig’ van zijn verbintenis te bevrijden,3 hetgeen zich niet verhoudt met het tijdelijke karakter van het opschortingsrecht.4 Daarom eindigt ook een opschortingsbevoegdheid als de nakoming gedurende de uitoefening van het opschortingsrecht blijvend onmogelijk is geworden voor de wederpartij.5 Dergelijke bezwaren tegen een opschortingsbevoegdheid doen zich niet voor in het geval de nakoming tijdelijk onmogelijk is voor de wederpartij.6 Voor zover de schuldenaar vanwege de blijvende onmogelijkheid tot nakoming een vordering tot schadevergoeding heeft op zijn wederpartij, zou hij wel vanwege die vordering opschortingsbevoegd kunnen zijn op grond van artikel 6:52 BW.7