Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/3.6.2
3.6.2 Samenloop met onrechtmatige daad
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS299215:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Parl. gesch. Boek 6, p. 746, 757 en 765; Kamerstukken II 1990/91, 21202, 6, p. 13-14. Zo ook reeds Brunner 1984, p. 31-32, alsmede Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/231; Bauw 2015/79. Zie voor de rol van art. 6:162 náást afd. 6.3.3 BW de daartoe expliciet in art. 6:193 opgenomen regel.
Parl. gesch. Boek 6, p. 766; Hartlief 2011, p. 1313. Zie Rb. Maastricht 26 september 2007, JA 2007/178 (Omgevallen hoogspanningsmast), waarin Essent Netwerk ex art. 6:181 jo. 174 aansprakelijk werd geacht als bedrijfsmatige gebruiker van de omgevallen mast, alsmede ex art. 6:162 wegens het geven van onjuiste informatie in het kader van de herstelwerkzaamheden. Dit is ook van belang voor regresnemers, nu deze zich vanwege art. 6:197 überhaupt niet kunnen beroepen op art. 6:173 en 174.
Parl. gesch. Boek 6, p. 765-766; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/231. Een en ander volgens de algemene regels van art. 6:10 en 6:101 jo. 102 lid 1, tenzij sprake is van een tussen partijen geldende afwijkende contractuele regeling.
Zie in deze zin ook A-G Langemeijer in zijn conclusie sub 2.13 (slot) voor het Loretta-arrest.
Zie voor dit laatste Rb. Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715 (Immateri ë le aardbevingsschade), r.o. 4.2.2.
Vgl. Bauw 2015/79, die aangeeft dat het minst genomen twijfelachtig is of een dergelijk ge- of verbod verkregen kan worden bij gebreke van een – dreigende – onrechtmatige gedraging ex art. 6:162. Zie ook Keirse 2017, p. 6-9. Vgl. ook Rb. Noord-Nederland 14 december 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:5536 (Onbewaakte spoorwegovergang).
De regeling in afd. 6.1.10 BW heeft betrekking op alle wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding, ongeacht of het contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid betreft en ongeacht of de aansprakelijkheid op ‘schuld’ of ‘risico’ is gebaseerd. Vgl. Spier e.a. 2015, p. 244-245.
Vgl. Spier e.a. 2015, p. 406.
Art. 6:181 laat, evenals alle overige kwalitatieve aansprakelijkheden uit afd. 6.3.2 BW, de mogelijkheid van een vordering op grond van art. 6:162 onverlet. In de parlementaire geschiedenis is meermaals onderkend dat náást de kwalitatief aansprakelijke nog een ander ‘volgens de algemene bepalingen over onrechtmatige daad’ tegenover de benadeelde aansprakelijk kan zijn.1 Art. 6:181 heeft dus geen exclusieve werking ten opzichte van art. 6:162. Hierbij kan bedacht worden dat deze laatste aansprakelijkheid op een ‘echte’ derde kan rusten, maar ook op de bedrijfsmatige gebruiker (of bezitter) van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken zelf.2 Fout- en kwalitatieve aansprakelijkheid kunnen dus cumuleren en samenloop meebrengen van rechtsregels met betrekking tot de rechtsrelatie tussen zowel dezelfde als verschillende partijen. Ook geldt dat de kwalitatief aansprakelijke de mogelijkheid van regres heeft op een eventueel tegen de benadeelde ex art. 6:162 ‘schuldige’ ander.3 Denk ter illustratie aan de manege die een lespaard van een derde betrekt om daarmee paardrijlessen te geven. Dit dier brengt tijdens de les op de manege schade toe aan een deelnemer, waarbij het paard door een toeschouwer is opgehitst. Art. 6:181 jo. 179 wijst de manege – in plaats van de bezitter – in hoedanigheid van bedrijfsmatige gebruiker exclusief als kwalitatief aansprakelijke aan. Dit laat de mogelijkheid van de benadeelde een vordering ex art. 6:162 tegen de onbetamelijk handelende toeschouwer in te stellen onverlet. Zou de benadeelde zijn pijlen op de manege richten en laatstgenoemde het slachtoffer schadeloos stellen, dan kan de manege in beginsel verhaal nemen op de aan de schadeveroorzaking ex art. 6:162 ‘schuldige’. Een ander voorbeeld biedt de bezitter die als geen ander weet dat zijn paard wegens het schrikachtige karakter niet geschikt is om in te zetten voor rijlessen, maar dit verzwijgt en het dier toch voor dat doel aan een manege ter beschikking stelt. Dat op een dergelijke bezitter wegens de toepasselijkheid van art. 6:181 geen kwalitatieve aansprakelijkheid ex art. 6:179 rust, doet aan de werking van art. 6:162 niet af. En zo kan ook de manege als bedrijfsmatige gebruiker zelf, reeds belast met de kwalitatieve aansprakelijkheid ex art. 6:181 jo. 179, tevens nog aansprakelijk zijn ex art. 6:162. Bijvoorbeeld omdat deze de betreffende paardrijles zonder voldoende toezicht en/of onder leiding van een ondeskundige instructeur heeft laten plaatsvinden. Dat naast kwalitatieve aansprakelijkheid op grond van afd. 6.3.2 BW aansprakelijkheid kan bestaan op grond van art. 6:162, heeft de Hoge Raad in het Loretta-arrest inmiddels expliciet bevestigd betreffende de aansprakelijkheid voor dieren ex art. 6:179 jo. 181. De Hoge Raad overwoog dat deze kwalitatieve aansprakelijkheid niet wegneemt:
‘dat ook een derde tegenover de benadeelde aansprakelijk kan zijn op de voet van art. 6:162 BW. Is dit laatste het geval, dan heeft dit geen invloed op het ontstaan of de omvang van de hiervoor bedoelde risicoaansprakelijkheid. Evenmin komt daaraan betekenis toe bij de beantwoording van de vraag op wie de door art. 6:179 in het leven geroepen risicoaansprakelijkheid rust.’4
Kwalitatieve aansprakelijkheid laat een vordering van de benadeelde ex art. 6:162 als gezegd onverlet. Andersom, zo geeft de Hoge Raad in het Loretta-arrest nog aan, heeft de ‘foutaansprakelijkheid’ ex art. 6:162 ook geen invloed op de vraag op wie – in dit geval de bezitter óf bedrijfsmatige gebruiker – de kwalitatieve aansprakelijkheid rust. Fout- en kwalitatieve aansprakelijkheid functioneren in die zin los dus van elkaar. Dit is nog eens met zoveel woorden bevestigd in HR 29 april 2011, NJ 2011/406, m.nt. Tjong Tjin Tai (Melchemie/Delbanco) over de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen ex art. 6:175. Geoordeeld werd dat art. 6:175 in die zin geen exclusiviteit meebrengt, dat zijdens de gebruiker van een stof (lid 1) ook ná bewaargeving (lid 2) nog altijd op voet van art. 6:162 aansprakelijkheid kan bestaan voor schade veroorzaakt door de gevaarlijke stof. Dat de kwalitatieve aansprakelijkheid in bepaalde gevallen wordt gekanaliseerd naar de bewaarder uit lid 2 van art. 6:175, laat de aansprakelijkheid van een ander (waaronder de in lid 1 van art. 6:175 bedoelde gebruiker) en ook de bewaarder zelf op grond van art. 6:162 onverlet.
Cumulatie van fout- en kwalitatieve aansprakelijkheid is goed verklaarbaar gelet op het doel dat de wetgever met afd. 6.3.2 BW voor ogen staat. Beoogd wordt benadeelden in bepaalde gevallen een betere (bewijs)positie te verschaffen dan zij sec aan art. 6:162 kunnen ontlenen. Ter vergroting van de verhaalsmogelijkheden biedt afd. 6.3.2 BW de benadeelde daarom een aansprakelijke náást c.q. in aanvulling op – en niet: in plaats van – de (eventueel) ex art. 6:162 ‘schuldige’. Kwalitatieve aansprakelijkheid houdt anders gezegd geen beperking in van de algemene regel uit art. 6:162 voor bijzondere gevallen, zij heft deze niet op en treedt daarvoor evenmin in de plaats, maar moet integendeel juist worden gezien als een uitbreiding van schadevergoedingsverplichtingen voor bepaalde gevallen buiten de werking van het ‘traditionele’ art. 6:162 om.
Dat náást een kwalitatieve aansprakelijkheid tevens aansprakelijkheid ex art. 6:162 kan bestaan, is niet alleen van belang voor gevallen waarin (toch) niet aan alle vereisten voor een ingeroepen aansprakelijkheid ex afd. 6.3.2 BW (of afd. 6.3.3 BW) wordt voldaan. Bedoeld gegeven kan ook van belang zijn indien in een bepaald geval de kwalitatieve aansprakelijkheid wél aan de orde is. Zo kan de ‘aard van de aansprakelijkheid’ namelijk betekenis toekomen bij de toepassing van art. 6:98 (toerekening), 6:100 (voordeelverrekening) en 6:109 (matiging), alsmede ter bepaling van de hoogte van een eventueel ex art. 6:106 toe te kennen immateriële schadevergoeding.5 Ook kan gedacht worden aan gevallen waarin de benadeelde geen (of niet alleen) schadevergoeding wenst maar ex art. 3:296 lid 1 een ge- of verbod om een gevaarlijke situatie die wordt bestreken door een kwalitatieve aansprakelijkheid te voorkomen of beëindigen.6 ‘Echte’ samenloopproblemen doen zich in geval van samenloop van kwalitatieve met foutaansprakelijkheid overigens niet voor. Het gevolg van beide soorten aansprakelijkheid betreft een verbintenis tot schadevergoeding, beheerst door afd. 6.1.10 BW (art. 6:95 e.v.).7 En ook de verjaring van de rechtsvordering tot vergoeding van de schade is voor beide grondslagen gelijk, namelijk uniform geregeld in art. 3:310.8