Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.7.1
2.7.1 Gemeentelijke inkomstenbelastingen
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285283:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Amendement Mees c.s., Kamerstukken II 1891/92, 125, nr. 27. Het amendement was tweeledig. Naast het hier behandelde onderdeel werd voorgesteld om in art. 47 de zinsnede “bij de uitvoering dezer wet” uit het ontwerp van wet te laten vervallen (vide: par. 4.3 hiervoor).
Handelingen II 1891/92, blz. 1337.
Kamerlid Houten spreekt niet van wederkerigheid, maar van compensatie en betwijfelt of de compensatie zou moeten bestaan uit het opofferen van de zorgvuldig geregelde geheimhouding (Handelingen II 1891/92, blz. 1339).
Handelingen II 1891/92, blz. 1338.
“Dat de lust tot aangifte vermindert; men zal het niet genoegelijk vinden iedereen op de hoogte te brengen omtrent de details, althans het bedrag van zijn vermogen” aldus Kamerlid Van Houten (Handelingen II 1891/92, blz. 1339).
Handelingen II 1891/92, blz. 1338. Zie uitgebreider: Van Walsum 1905, blz. 8-10.
Handelingen II 1891/92, blz. 1341 (art. 47 Wet VB 1892 werd wel gewijzigd). Bij de behandeling in de Eerste Kamer van de Wet op de navordering van vermogensbelasting werd hier wederom voor gepleit (Eindverslag der commissie van rapporteurs, Kamerstukken I 1903/04, 20, nr. 20, blz. 347 e.v.).
VV, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 5, blz. 31.
Zie ook: par. 4.1.1. hiervoor.
VV, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 5, blz. 59. Hetzelfde gold voor gemeentelijke ambtenaren en leden van den gemeenteraad, voor het geval dezen deel uitmaken van een der colleges.
VV, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 5, blz. 60 en Handelingen II 1892/93 blz. 1144.
MvA, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 6, blz. 88.
MvA, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 6, blz. 89.
Amendement Gerritsen, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 24. Zie ook: Handelingen II 1892/93, blz. 1498-1500.
VV, Kamerstukken II 1911/12, 144, nr. 6, blz. 52 en VV, Kamerstukken II 1911/12, 144, nr. 6, blz. 59.
Amendement commissie van rapporteurs, Kamerstukken II 1913/14, 18, nr. 17. Zie ook: Handelingen II 1913/14, blz. 2099-2107, Sinninghe Damsté 1931, blz. 488 en Boogerman 1920, blz. 221.
Eindverslag, Kamerstukken I 1913/14, 18, nr. 5, blz. 5.
Handelingen II 1913/14, blz. 2114. Nadere inlichtingen werden pas aan de gemeente verstrekt indien de aanslag van de gemeentelijke inkomstenbelasting belangrijk afweek van de aanslag in de rijksinkomstenbelasting en alle middelen om tot opheldering van de verschillen te geraken waren uitgeput. Geen gegevens werden verstrekt ingeval de aangifte “eenigszins belangrijk afwijkt” (Van Walsum/De Wilde 1920, blz. 360-361). Beleid werd neergelegd in diverse resoluties (zie uitgebreider: Boogerman 1920, blz. 223 e.v. en Harms 1920, blz. 265 e.v.).
Handelingen II 1913/14, blz. 2112 en VV, Kamerstukken I 1913/14, 18, nr. 18, blz. 577.
VV, Kamerstukken I 1913/14, 18, nr. 18, blz. 577.
Op grond van art. 264, vierde lid, Gemeentewet.
Behoudens de gemeenten waar: “(…) de slechte gewoonte bestaat om jaarlijks een uitgave te bezorgen van de aangeslagenen met vermelding van hun aanslag” (VV, Kamerstukken I 1913/14, 18, nr. 18, blz. 577).
In de Eerste Kamer werd gesproken van de strijd met de logica en fatsoen dat de gemeentelijke kohieren, gebaseerd op de inkomstenbelasting, op het stadhuis openlijk voor iedereen ter inzage ligt (Handelingen I 1920/21, blz. 139). Minister Pierson pleitte – in verband met de geheimhouding – tijdens de behandeling van de Wet VB 1892 al voor een afschaffing van de gemeentelijke inkomstenbelasting ten gunste van een landelijke regeling met opcenten voor de gemeenten (Handelingen II 1891/92, blz. 1340). Ook bij de behandeling van de Wet IB 1914 werd (tevergeefs) gepleit om de gemeentelijke heffing over te hevelen naar de rijksbelastingdienst waar o.a. de geheimhouding ten volle zou zijn verzekerd (Amendement Fleskens en Van Sasse Van IJsselt, Kamerstukken II 1913/14, 18, nr. 29). Dit voorstel werd verworpen omdat de reikwijdte van het amendementrecht niet zover reikte dat wijzigingen konden worden aangebracht in de Gemeentewet (Handelingen II 1913/14, blz. 2111-2116).
Bij de invoering van de Wet VB 1892 werd bij amendement voorgesteld om gemeenten inzage te verlenen in het register van aanslagen ten behoeve van de gemeentelijke inkomstenbelastingen.1 De argumentatie hiervoor was dat voor de juiste uitvoering van de Wet VB 1892 de hulp van de gemeente nodig was en de gegevens uit het register van aanslagen voor hen relevant was.2 De vraag werd opgeworpen of van de gemeentebesturen ijver te verwachten was bij het geven van inlichtingen als geen sprake zou zijn van wederkerigheid.3 Kritiek was er echter ook. Met het verstrekken van informatie zou – met name in kleine gemeenten – de vermogens van elke ingezetene worden blootgelegd.4 Als gevolg hiervan zou de aangiftebereidheid verminderen.5 De bedoeling van de vermogensbelasting was dat alles geheim zou blijven en ingeval de gemeente, wegens het ontbreken van de benodigde gegevens, niet op haar taken zou zijn berekend dan zou dat niet moeten worden opgelost met het inbouwen van een achterdeur in de fiscale geheimhouding van de Wet VB 1892.6 Het amendement werd verworpen.7
Net als bij de Wet VB 1892 is bij de parlementaire behandeling van de Wet op de BB 1893 stilgestaan bij de wederkerigheid in de gegevensuitwisseling met gemeenten en het risico van schending van de geheimhouding.8 In het ontwerp van wet werd de burgemeester – als voorzitter van het college van zetters en lid van de commissie van aanslag – nog een actieve rol toegedicht.9 Terecht werd gevraagd of de wetenschap die hij in die hoedanigheid verkreeg, gebruikt mocht worden ten behoeve van de gemeentelijke directe belastingen.10 Dit paste immers binnen de geuite wens van wederkerigheid om de kwaliteit van deze belastingheffing te verhogen.11 Minister Pierson was in zijn reactie duidelijk: hetgeen iemand als lid van de commissie van aanslag bekend werd, mocht nooit verder bekend worden gemaakt.12 De gegevens zouden niet (mogen) worden verstrekt aan de gemeente omdat daarmee de geheimhouding te veel gevaar zou lopen.13 Het amendement om informatie te verstrekken aan gemeenten haalde het (wederom) niet.14
Ook bij de parlementaire behandeling van de Wet IB 1914 kwam de wederkerigheid in de uitwisseling van informatie met gemeenten wederom aan de orde.15 Hoewel de bepaling eigenlijk niet in art. 107 Wet IB 1914, maar in de Gemeentewet thuishoorde, werd de decennialange discussie eindelijk in het voordeel van de gemeente beslecht.16 Anders dan in het verleden werd het belang van een goede uitvoering van de gemeentelijke inkomstenbelasting nu wel zo groot geacht dat een inbreuk op geheimhouding gerechtvaardigd was.17 Het doel, het voorkomen van ‘mismatches’ tussen de rijks- en de gemeentelijke inkomstenbelasting, was duidelijk.18 De gemeenten ontbeerden de noodzakelijke gegevens om zelfs bij benadering het inkomen te kunnen bepalen en fraude te bestrijden.19 Leden van de Eerste Kamer hadden toch nog ernstige bedenkingen: “Velen betreurden het, dat de geheimhouding, die toch bij het tot stand komen van de bedrijfs- en de vermogensbelasting op den voorgrond had gestaan, langzamerhand geheel teloor gaat en dreigt plaats te maken voor algeheele publiciteit”.20 De kritiek was dat de voor de Wet IB 1914 voorgeschreven geheimhouding feitelijk vrijwel illusoir zou worden omdat gemeenten de aanslagen op grond van de Gemeentewet ter inzage zouden moeten neerleggen.21 Hier werd tegen ingebracht dat inzage in veel gevallen praktisch onmogelijk was voor nieuwsgierigen omdat niet op alfabetische volgorde werd gearchiveerd.22 In 1920 werden de gemeentelijke inkomstenbelastingen afgeschaft waarmee de ongerijmdheid (geheimhouding rijksinkomstenbelasting versus de openbaarheid van de gemeentelijke kohieren) werd opgeheven.23