Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/7.3.3.6
7.3.3.6 De rangorde in complexe gevallen
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186799:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
In termen van ranguitspraken: ‘Verhaalsrecht A en B zijn gelijk in rang’, ‘Verhaalsrecht C heeft een lagere rang dan verhaalsrecht B’ en ‘Verhaalsrecht A heeft een gelijke rang aan C’.
Zie par. 7.4.2.4 e.v.
Zie verder bijvoorbeeld Van Mierlo 1996 of de verhouding tussen de Volksbank, de Ontvanger en de tweede beslaglegger in Rb. Oost-Brabant (r-c) 26 oktober 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:6566 (Zes hypotheken, zeven beslagen en de Ontvanger).
Zie hierover nader par. 7.4.2.5.
Of als de seniorverhaalsrechten niet bestaan, omdat de senior niets te vorderen heeft.
Zie par. 5.2.3.6.
Zie par. 5.2.3.6.
450. Stel dat drie schuldeisers A, B en C verhaal kunnen nemen op het vermogen van hun gezamenlijke schuldeiser. De verhaalsrechten van A en B hebben onderling gelijke rang. C heeft zijn verhaalsrecht achtergesteld bij dat van B, maar niet bij dat van A.1 De verhaalsrechten A en C hebben dus ook gelijke rang. De rangorde van deze verhaalsrechten kan worden weergegeven als in figuur 7.4.
Deze rangorde kan niet worden weergegeven in de vorm van een ranglijst: een lijst van klassen van verhaalsrechten, waarbij ieder verhaalsrecht in een klasse een gelijke rang heeft met alle andere verhaalsrechten in die klasse. In die ranglijst zouden dan de verhaalsrechten van B en C ieder op hetzelfde niveau als verhaalsrecht A moeten staan, maar onderling moeten B en C in niveau verschillen. De verhaalsrechten van B en C hebben immers allebei dezelfde rang als het verhaalsrecht van A. Daarom zitten ze in dezelfde klasse. Tussen de verhaalsrechten B en C zit echter wel een rangverschil. Dat wordt veroorzaakt door de specifieke achterstelling. Dit compliceert de verdeling van de executie-opbrengst.2
451. Een dergelijke complexe rangorde komt niet alleen voor bij achterstellingen. Ook andere casus kunnen ertoe leiden dat twee verhaalsrechten (zoals B en C) onderling in rang verschillen, maar wel beiden dezelfde rang hebben als een derde verhaalsrecht (dat van A). Dat is bijvoorbeeld het gevolg als één schuldeiser beslag legt op een registergoed, daarop vervolgens een hypotheek wordt gevestigd en daarna daarop een tweede beslag wordt gelegd.3 Dat schept precies de rangorde van figuur 7.4, met de eerste beslaglegger op de plaats van A, de hypotheekhouder op de plaats van B en de tweede beslaglegger op de plaats van C.4
Bij de erkenning van achtergestelde vorderingen moet rekening worden gehouden met de mogelijke complexiteit van de rangorde. Een specifieke achterstelling leidt immers vrijwel automatisch tot een complexe rangorde. Dat is alleen anders als de verhaalsrechten waarbij het juniorverhaalsrecht is achtergesteld niet dezelfde rang hebben als de verhaalsrechten waarbij de juniorvordering wel is achtergesteld.5 Omdat een specifieke achterstelling vrijwel altijd een complexe rangorde schept moet nauwkeurig worden aangegeven ten opzichte van welke andere verhaalsrechten de rang is verlaagd en ten opzichte van welke andere verhaalsrechten de rang niet is verlaagd.
De reden dat dergelijke complexe gevallen naar Nederlands recht mogelijk zijn is dat de rangorde tot stand komt in de onderlinge verhoudingen tussen de verhaalsrechten, dus uit de uitspraken over verhoudingen tussen individuele verhaalsrechten.6 Daardoor kunnen rangverschillen optreden binnen een klasse.7 Dat is naar Duits recht niet mogelijk.8 Het Duitse recht kan dus geen inspiratie bieden voor de omgang met dergelijke rangordes.
De rangverschillen binnen een klasse kunnen aanzienlijke gevolgen hebben. Om die nader uiteen te zetten is het nodig om het wiskundige begrip ‘transitiviteit’ te behandelen.