Einde inhoudsopgave
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/2.3.3.2
2.3.3.2 Oorzaken van groupthink
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen
- JCDI
JCDI:ADS111333:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Janis 1971, p. 435-440; Scharff 2005, p. 111-115; Van Zijl 2012, p. 317.
Jensen & Meckling 1976, p. 308 e.v.; Zie (kort) over groupthink bij rechters: Van Raalte 2007, p. 394. Zie over groupthink in het kader van radicalisatie: Meertens & Prins 2010, p. 153-172.
Kroeze 2008, p. 431-432; Perquin-Deelen 2018; DNB 2013, p. 12, met verwijzingen.
Kamalnath 2017, p. 95; Malsch 2013; DNB 2013, p. 12; DNB 2013a, p. 18. Zie meer uitgebreid hoofdstuk 3.
Janis 1971, p. 434.
Moscovici & Doise, 1994; Westphal & Bednar 2005. Zie ook de effecten van group polarization in: Zhu 2013, onder andere p. 805.
Riccobono e.a. 2016, p. 623.
En ook group polarization, zie par. 2.3.2.
De oorzaken van groupthink zijn: (1) een gevoel van onaantastbaarheid; (2) de rationalisatie van eigen gedrag; (3) een ongerechtvaardigd hoog vertrouwen in de moraal van de groep; (4) het onder druk zetten van het individu met een afwijkende mening, door de groep; (5) een gevoel van druk om te conformeren aan de mening van de groep; (6) de stereotypering van andere groepen; en (7) het geloof van de groep in een illusie van unanimiteit.1 Deze oorzaken licht ik in gezamenlijkheid toe.
Met name high-prestige groepen, zoals een rvb en een rvc, zijn gevoelig voor groupthink omdat hier beleefdheid en consensus vaak hoog in het vaandel staan.2 Deze beleefdheid en dit streven naar consensus kunnen afbreuk doen aan de bereidheid kritisch te zijn naar elkaar. Bovendien kan lidmaatschap van een rvb of rvc zorgen voor een hoge mate van ‘wij-gevoel’. De bestuurders en commissarissen willen dit gevoel niet in gevaar brengen. Dit wij-gevoel wordt onder meer versterkt doordat rvb’s en rvc’s nog steeds overwegend homogene groepen zijn3 met weinig diversiteit.4 Homogeniteit kan een hoge mate van cohesie creëren. Te veel cohesie verhoogt het risico op groupthink.5
Is een bestuurder of een commissaris wel bereid dit ‘wij-gevoel’ aan te tasten, bijvoorbeeld door zijn zorgen te uiten over een meerderheidsstandpunt, dan kunnen hier sociale risico’s aan verbonden zitten.6 Hij valt dan bijvoorbeeld ‘buiten de groep’. Dit kan de bereidheid van de bestuurder of de commissaris tot het delen van zijn afwijkende standpunt verminderen.
Dat groupthink een risico is bij meerhoofdige rvb’s en rvc’s betekent niet dat groupthink altijd en in gelijke mate optreedt. Dit verschilt per rvb of rvc. Het hangt af van de concrete situatie en van de persoonlijkheden van de individuele bestuurders en commissarissen.7 Zelfvertrouwen is bijvoorbeeld een indicator dat iemand minder gevoelig is voor groupthink en meer bereid is een minderheidsstandpunt te vertolken. Anderzijds kan diegene door zijn standpunt sterk te verkondigen juist weer groupthink aanwakkeren.8
Bij de oorzaken van groupthink geldt, net als bij de oorzaken van group polarization, dat ze zich afspelen op het individuele niveau, maar effect hebben op het supra- individuele niveau. Ik kom hierop terug in par. 2.4.