Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/11.4
11.4 Belang bij een beperkt recht op een eigen goed
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491145:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 310-311.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/38-39; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/590.
Ondererfpacht op een eigen zaak wordt besproken in hoofdstuk 8.
HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1197(Noordlander/Ligtvoet); HR 3 maart 1905, ECLI:NL:HR:1905:1(Blaauboer/Berlips); Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/22-23; Asser/Sieburgh 6-I 2020/16; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/22-23; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2) 2017/2-3; Struycken 2007, p. 695-713; Van der Steur 2003, p. 18-40; Rank-Berenschot 1992, p. 334-335; Suijling I 1948, nr. 52; Meijers 1948, p. 266-286.
Zie hoofdstuk 6.
Zie hoofdstuk 8.
132. In hoofdstuk 4 is onderzocht welke maatstaf in het geldende Nederlandse recht besloten ligt voor het kunnen hebben van beperkte rechten op een eigen zaak. In dat hoofdstuk zijn eerst twee extreme standpunten besproken:
een eigenaar kan nooit beperkte rechten op zijn eigen zaak hebben, behoudens de uitdrukkelijk in de wet geregelde gevallen;
een eigenaar kan steeds beperkte rechten op zijn eigen zaak hebben (verkrijgen en vestigen). Net zoals dat in het Duitse recht kan bij onroerende zaken.
Standpunt a. kan niet worden gevolgd, omdat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het uitgangspunt dat beperkte rechten niet op een eigen zaak kunnen rusten, niet heel strikt opgevat dient te worden.1 Er is enige ruimte om beperkte rechten op een eigen zaak toe te staan als daarvoor ‘voldoende reden’ is, ook buiten de uitdrukkelijk in de wet geregelde gevallen. In de literatuur wordt ook in sommige gevallen aangenomen dat een eigenaar een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben, buiten de in de wet geregelde gevallen.
Standpunt b. kan evenmin worden gevolgd. Daarbij zou het uitgangspunt worden losgelaten dat een eigenaar geen beperkte rechten op zijn eigen zaak kan hebben. Dat uitgangspunt ligt echter wel ten grondslag aan het systeem van het recht (zie §11.1).
Aangezien geen van beide extreme standpunten het geldende recht weerspiegelt, is gezocht naar een middenweg. Die middenweg komt erop neer dat een eigenaar een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben, als belang bestaat bij dat beperkte recht. De eigenaar zelf kan belang hebben bij het beperkte recht, maar dat kan ook iemand anders zijn. Het begrip ‘belang’ dient objectief ingevuld te worden.
Een eigenaar heeft objectief belang bij een beperkt recht op zijn eigen zaak, als hij aan dat beperkte recht bevoegdheden kan ontlenen, die hij niet heeft op grond van zijn eigendomsrecht van de zaak. Die bevoegdheden bestaan uit het genot van het goed waarop het beperkte recht rust (bij de rechten van vruchtgebruik, erfdienstbaarheid, erfpacht en opstal) of de bevoegdheid over het bezwaarde goed te beschikken en zich bij voorrang op de opbrengst te verhalen (bij pand en hypotheek).2 Daarvan kan sprake zijn als op de zaak andere beperkte rechten rusten die de eigenaar moet eerbiedigen. De eigenaar van een zaak die is bezwaard met een erfpachtrecht van een derde, kan bijvoorbeeld extra bevoegdheden ontlenen aan een recht van ondererfpacht op zijn eigen zaak. Uit hoofde van zijn eigendomsrecht moet hij de erfpacht eerbiedigen. Op grond van de ondererfpacht hoeft hij dat niet.3
Iemand anders dan de eigenaar heeft objectief belang bij een beperkt recht op een eigen zaak, als hij uit hoofde van een goederenrechtelijk recht bevoegdheden kan ontlenen aan het beperkte recht op de eigen zaak. Bijvoorbeeld als hij een recht van hypotheek heeft op een opstalrecht dat in handen is van de eigenaar van de bezwaarde zaak (zie de casus in nr. 3 en 100).
Een verbintenisrechtelijke aanspraak – bijvoorbeeld een recht op levering van een beperkt recht – is in beginsel niet voldoende. Een dergelijke aanspraak geeft geen recht op een goed, maar geeft (slechts) een aanspraak jegens een persoon. Het zou weinig meerwaarde hebben om beperkte rechten op een eigen zaak te laten voortbestaan in verband met verbintenisrechtelijke aanspraken van derden. De eigenaar kan het beperkte recht opnieuw vestigen ten gunste van de derde. Rusten op de bezwaarde zaak beperkte rechten met een lagere of gelijke rang, dan blijft het beperkte recht op de eigen zaak voortbestaan door de invulling die ik geef aan de tweede volzin van art. 3:81 lid 3 BW (zie §11.9).
Het onderscheid tussen goederenrechtelijke en verbintenisrechtelijke rechten ligt ten grondslag aan het systeem van het recht.4 Door daar een grens te trekken, ontstaat een duidelijk afgebakende groep van gevallen die aansluit bij dat systeem. Het ordenende karakter van het uitgangspunt dat een eigenaar geen beperkte rechten op zijn eigen zaak kan hebben, is gebaat bij een dergelijk afgebakend criterium.
Het maakt niet uit of een eigenaar een beperkt recht op zijn eigen zaak van een derde verkrijgt, of ten gunste van zichzelf vestigt. In het Duitse recht wordt bij onroerende zaken ook geen onderscheid gemaakt tussen verkrijging en vestiging van beperkte rechten op een eigen zaak. Die benadering is overtuigend, omdat het voor het hebben van belang bij een beperkt recht niet uitmaakt op welke wijze de beide rechten in één hand zijn gekomen.
De bevoegdheden moeten bestaan op het moment waarop beperkt recht en moederrecht in één hand komen. Het voornemen van een eigenaar om bijvoorbeeld het beperkte recht op korte termijn over te dragen aan een derde, is geen rechtvaardiging om een beperkt recht op een eigen zaak te kunnen hebben. Dan zouden wel de bedoelingen van de eigenaar een rol spelen en is geen sprake van een objectief criterium.
Met ‘bevoegdheden’ bedoel ik in dit verband niet de bevoegdheid om over een goed te beschikken (o.a. vervreemden en bezwaren met beperkte rechten). Die bevoegdheid heeft een rechthebbende van een beperkt recht in beginsel steeds. Als dat type bevoegdheden wel in aanmerking zou worden genomen, dan zou een eigenaar steeds een beperkt recht op zijn eigen zaak kunnen hebben. Dat zou neerkomen op extreem standpunt b., welk standpunt niet aansluit bij het systeem van het recht.
Twee voorbeelden. A en B zijn mede-eigenaars van een onroerende zaak, ieder voor een onverdeeld aandeel van de helft. A heeft tevens een recht van erfpacht op de zaak. Uit hoofde van de erfpacht mag A de zaak exclusief gebruiken. Die bevoegdheid heeft hij niet op grond van zijn onverdeeld aandeel in de mede-eigendom. A en B zijn als deelgenoten in de eigendom in beginsel ieder bevoegd de zaak te gebruiken (art. 3:169 BW). Daarom kan A aan de erfpacht bevoegdheden ontlenen die hij niet heeft op grond van zijn onverdeeld aandeel in de mede-eigendom.5
C is eigenaar van een onroerende zaak. Hij heeft de zaak voor tachtig jaar in erfpacht gegeven aan D. Op een gegeven moment wenst C de bezwaarde zaak zelf te gebruiken. D kan ten behoeve van C een recht van ondererfpacht vestigen (art. 5:93 BW). De ondererfpacht rust op de eigendom. Maar omdat de bevoegdheden die ontleend kunnen worden aan de ondererfpacht, zijn afgeleid uit de (hoofd)erfpacht, kan C toch extra bevoegdheden ontlenen aan de ondererfpacht.6