Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/6.3.2.4
6.3.2.4 Waardeverhouding en nog niet vaststaande waarde van de vordering
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950352:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook § 3.4.4.
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009, 50, m.nt. Jac. Hijma (Ammerlaan/Enthoven), r.o. 4.6. Zie ook HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3072, NJ 2015/85, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Eurostrip/Newa), r.o. 4.3; HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:95, NJ 2014/236, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Kenter/Slierings), r.o. 3.5 en HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4907, NJ 2012/91 (Euretco/Naeije), r.o. 3.5.4. Zie ook bijv. Rb. Amsterdam (vzr.) 4 februari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1369, r.o. 2.9, 4.4 en 4.5, waarin de opschorting van de betaling van de laatste twee facturen in een reeks van facturen, in verband met een vordering tot verschaffing van informatie op basis waarvan de totale waarde van de facturen zou kunnen worden gecontroleerd, hetgeen mogelijk tot vermindering van de factuurbedragen zou leiden, proportioneel is geoordeeld.
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009, 50, m.nt. Jac. Hijma (Ammerlaan/Enthoven), r.o. 4.6. Zie ook HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4907, NJ 2012/91 (Euretco/Naeije), r.o. 3.5.4. Zie voorts HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2517, NJ 2017/384, m.nt. Jac. Hijma (CIA/Heredium), r.o. 4.2. Zie over de gevolgen van de ongeoorloofde opschorting § 2.7.2.
Niet altijd zal ten tijde van de beoordeling van de uitoefening van het algemene opschortingsrecht al duidelijk zijn of de vordering bestaat en wat de waarde van die vordering dan is. Bijvoorbeeld wanneer de schuldenaar wel een opeisbare vordering op zijn schuldeiser heeft, maar de omvang van die vordering nog niet vaststaat.1 Dat behoeft aan het opschortingsverweer niet in de weg te staan. De rechter zal, zo nodig voorshands, moeten beoordelen of de gestelde vordering bestaat en of de omvang van die vordering voldoende is om opschorting van de nakoming te rechtvaardigen.2 Zou achteraf blijken dat de vordering een andere omvang had dan door de rechter die over het opschortingsverweer oordeelde aannemelijk werd geacht, dan brengt dat niet mee dat het opschortingsverweer op die enkele grond naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zelfs niet als achteraf blijkt dat de waarde van die vordering nihil is, maar het kan wel leiden tot schadeplichtigheid van de schuldenaar.3