Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.3.2
13.3.2 Algemene gevolgen van de certificaathouder als economisch eigenaar
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232868:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Strikt genomen is “rechthebbende” een zuiverder formulering. Voor een betere aansluiting bij de term “economisch eigenaar”, zal ik echter hier ook spreken van de juridische eigenaar waar het (mede) vermogensbestanddelen betreft.
Althans voor de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting, alsmede de schenk- en erfbelasting. De overdrachtsbelasting kent zijn eigen definitie van economische eigendom in artikel 2 lid 2 WBR en omzetbelasting knoopt aan bij de vraag of sprake is van een levering en niet zozeer bij eigendom (zie nader De Leeuw 2018, paragraaf 1).
Zie bijvoorbeeld HR 29 mei 1957, ECLI:NL:HR:1957:AY1893, BNB 1957/220 en HR 8 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC0360, BNB 1986/75. Zie voorts voor meer jurisprudentie de arresten aangehaald in De Leeuw 2018, paragraaf 2.1.
Op dit arrest is kritiek geweest, zie bijvoorbeeld de noot van Van Dijck onder het arrest in BNB 1987/229, aangezien de Hoge Raad de certificaathouder als middellijk aandeelhouder ziet, maar daarnaast ook het administratiekantoor als juridisch rechthebbende als aandeelhouder beschouwt. Dat leidt ertoe dat bij een geval als het onderhavige, waarbij de omvang van een belang beoordeeld moet worden om te bepalen of er sprake is van een aanmerkelijk belang, een deel van de aandelen tweemaal meegerekend wordt. Mijns inziens is deze kritiek terecht; een juridisch gerechtigde zonder economisch belang zou in fiscale zin niet als aandeelhouder aangemerkt moeten worden.
Het hof verwijst ook naar de voorwaarden voor vereenzelviging van certificaten met gecertificeerde aandelen op grond van beleid (zie hiervoor nader paragraaf 13.4.1.2.1), waar aan voldaan was, maar dit lijkt ten overvloede te zijn,
Zie voorts De Leeuw 2018, paragraaf 2.4. Ook Hofman en Singh zijn van mening dat zeggenschap geen rol speelt bij het vaststellen of sprake is van economische eigendom (WFR 2017/7174, paragraaf 4.1.).
Zie voor situaties waarin de jurisprudentie inzake of systematiek gehanteerd bij van belang wordt geacht voor box 3 bijvoorbeeld Kamerstukken II vergaderjaar 1998/99, 26 727, nr. 3, pagina 228 en pagina 237, Kamerstukken II vergaderjaar 1999/2000, 26 727, nr. 7, pagina 242, pagina 518 en pagina 525 en Kamerstukken II vergaderjaar 1999/2000, 26 727, nr. 17, pagina 131 – 132.
Zie bijvoorbeeld HR 23 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5212, BNB 1993/78, HR 8 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3810, V-N 1999/57.29 en HR 22 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5226, V-N 2000/16.7. Dit punt was overigens specifiek een probleem voor buitenlands belastingplichtigen, omdat deze in tegenstelling tot binnenlands belastingplichtigen veelal de leveringsverplichting niet als schuld in aftrek konden brengen. Of men veel medelijden met de belanghebbenden uit deze arresten dient te hebben, is overigens de vraag: de economische eigendom was veelal in handen van een eigen BV, hetgeen suggereert dat dit een met enige regelmaat toegepaste oplossing was om de heffing van vermogensbelasting te beperken, die kennelijk vanaf enig moment niet meer het gewenste effect sorteerde.
Kamerstukken II vergaderjaar 1999/2000, 26 727, nr. 7, pagina 191. Zie over certificaten van de eigen woning nader paragraaf 13.4.2.3.
Hof Amsterdam 8 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4042, V-N Vandaag 2015/2309.
Hof Amsterdam 23 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2191, V-N 2015/37.2.2.
Daadwerkelijke schuldovername was niet mogelijk, aangezien dit op grond van artikel 6:155 BW toestemming van de belastingdienst als schuldeiser vereiste, welke toestemming niet verkregene kon worden.
Dat wil zeggen een vordering die op grond van (in casu) artikel 3.92 lid 2 sub a ten 1º Wet IB 2001 onder de terbeschikkingstellingsregeling valt.
HR 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1900, BNB 2016/206.
Met als uitzondering de vermogensbestanddelen die worden uitgezonderd van de rendementsgrondslag in box 3, aangezien de staatssecretaris in die context in de parlementaire geschiedenis expliciet het standpunt heeft ingenomen dat daarvoor niet alleen het gehele economische belang, maar ook het volledige gebruiks- en genotsrecht noodzakelijk is. Men kan zich afvragen of dat eraan in de weg staat om economische eigendom ook voor box 3 als doorslaggevend voor fiscale eigendom te beschouwen. Naar mijn mening is dat echter niet het geval. Het standpunt van de staatssecretaris heeft slechts betrekking op vrijstellingen voor box 3 en hij merkt in deze context expliciet op dat het zijn bedoeling is om uitsluitend de situatie vrij te stellen waarin ook sprake is van het volledige gebruik/genot en niet tevens rechten die weliswaar aanknopen bij de waarde van de onderliggende zaak, maar verder geen gebruik en genot verschaffen (Kamerstukken II vergaderjaar 1998/99, 26 727, nr. 3, pagina 229). Dit standpunt strekt zich derhalve niet uit tot de vraag bij wie een goed in box 3 in aanmerking genomen dient te worden.
Vergelijk voor wat betreft de schuldpositie ook Boer in zijn noot onder het arrest in BNB 2016/206, waar hij aangeeft dat de door de Hoge Raad bevestigde redenering hem binnen de context van een economisch georiënteerde belastingwet als de inkomstenbelasting het meest aanspreekt, alsmede dat ook voor box 3 aansluiting bij de economische realiteit voor de hand ligt.
Vergelijk Dusarduijn, WPNR 2007/6737, paragraaf 3.1, die opmerkt dat voor belangrijke onderdelen van de belastingwetgeving economische eigendom beschouwd wordt als fiscale eigendom en als zodanig dezelfde consequenties heeft als volle eigendom in civielrechtelijke zin. Zie voorts W. Bruins Slot, Leasing, Kluwer Deventer 2013, hoofdstuk 3.
Indien de juridische eigenaar1 van een goed enig economisch belang bij dit goed behoudt, is hij tevens de economische eigenaar van dit goed. Pas indien een ander het volledige economische belang heeft, op de wijze zoals beschreven in paragraaf 13.3.1 hiervoor, is deze ander de economische eigenaar en daarmee ook de fiscale eigenaar.2
Het begrip economische eigendom is in eerste instantie tot ontwikkeling gekomen in jurisprudentie met betrekking tot de winstbepaling in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting, in het kader van bijvoorbeeld vragen of het desbetreffende goed voor de economische eigenaar een bedrijfsmiddel vormde, waarop afgeschreven kon worden.3 Uit latere jurisprudentie volgt dat ook bij de belastingheffing ter zake van aanmerkelijkbelangaandelen wordt aangeknoopt bij de economische eigendom:
In HR 13 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8160, BNB 1986/4, en HR 18 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7732, BNB 1987/2294, merkt de Hoge Raad certificaathouders met het (volledige) economische belang bij aandelen aan als middellijk aandeelhouder.
In de daarna gewezen arresten HR 6 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1914, BNB 1996/164, en HR 18 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2451, BNB 1998/178, beschouwt de Hoge Raad certificaathouders van aandelen, die het economische belang van deze aandelen hebben, als onmiddellijk aandeelhouder.
Deze lijn komt ook terug in lagere rechtspraak, zie bijvoorbeeld hof Den Haag 16 februari 1976, ECLI:NL:GHSGR:1976:AX3785, BNB 1976/251, waarin het hof van mening was dat zusters die volgens de statuten hun aandelen niet konden behouden, maar krachtens overeenkomst economisch belang (en zeggenschap) behielden, hun aanmerkelijk belang niet vervreemd hadden, hof Den Haag 3 juni 1987, ECLI:NL:GHSGR:1987:AW7654, V-N 1989/9.8, waarin het hof oordeelde dat certificering, waarbij de aandeelhouder het economische belang bij de aandelen hield,5 geen vervreemding van diens aanmerkelijk belang was, alsmede hof Arnhem 14 februari 2001, ECLI:NL:GHARN:2001:AB0409, V-N 2001/23.22, waar het hof oordeelt dat het economische belang doorslaggevend is bij de beoordeling bij wie aandelen in aanmerking genomen moeten worden voor toepassing van de aanmerkelijkbelangregeling.
Uit de hiervoor aangehaalde arresten volgt voorts dat de certificaathouder met het volledige economische belang als economisch eigenaar wordt aangemerkt, ook indien hij geen zeggenschap/stemrecht heeft ter zake van de certificaten.6 De Hoge Raad spreekt in zijn arresten weliswaar niet expliciet over economische eigendom, maar gezien het feitencomplex en de referentie aan het (volledige) economische belang was daar mijns inziens wel sprake van. Derhalve is het de economische eigenaar en niet de (uitsluitend) juridische eigenaar die in het kader van de aanmerkelijkbelangregeling als aandeelhouder beschouwd moet worden. Dit betekent voorts dat het concept van economische eigendom naast in box 1, ook voor box 2 van de huidige inkomstenbelastingsystematiek toepasbaar is.
Vraag is dan of dit ook voor box 3 geldt. Een consistente toepassing van begrippen en concepten binnen het gehele systeem van de inkomstenbelasting pleit daar in ieder geval voor. In jurisprudentie met betrekking tot de vermogensbelasting, welke veelal toch ook voor de vermogensrendementsheffing zijn betekenis heeft behouden,7 werd evenwel een formeel juridische benadering gevolgd, althans voor wat betreft onroerende zaken: er zijn meerdere arresten met betrekking tot buitenlands belastingplichtigen met de juridische, maar niet de economische eigendom van een onroerende zaak, die bepleitten dat hun onroerende zaak een waarde had van nihil, maar nul op het rekest kregen omdat de rechter de economische eigendom niet beschouwde als een waardeverminderende factor.8 Derhalve werd geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de juridische eigenaar geen economisch belanghebbende meer was. Een vraag is of een dergelijk formele benadering nog past in de economische benadering die thans bij de belastingheffing wordt gehanteerd. Ook suggereert (de hofuitspraak bij) HR 28 januari 1976, ECLI:NL:HR:1976:AX3803, BNB 1976/213 dat het voor de heffing van vermogensbelasting ter zake van de bloot eigendom van aandelen niet uitmaakte of belanghebbende de juridisch en economische, of slechts de economische eigendom had. Voorts laat hof Leeuwarden in zijn uitspraak van 24 december 1981, V-N 1983/62.28, ruimte voor de mogelijkheid dat de economische eigendom voortvloeiend uit een pachtersinvestering aan vermogensbelasting onderworpen zou kunnen zijn.
De parlementaire toelichting bij de Wet IB 2001 biedt op dit punt geen duidelijkheid. In deze toelichting komt de term “economische eigendom” namelijk niet voor, anders dan in het kader van de eigenwoningdefinitie van artikel 3.111 lid 1 Wet IB en een zeer beperkte toelichting daarop.9 De jurisprudentie ter zake van economische eigendom in het verband van box 3-heffing is bovendien beperkt. Er zijn echter enkele uitspraken waaruit naar mijn mening volgt dat het concept van economische eigendom en de samenhangende economische in plaats van strikt juridische benadering ook in de context van box 3 toegepast dienen te worden:
De uitspraak van hof ’s-Hertogenbosch van 13 oktober 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU5612, V-N 2012/20.16, heeft betrekking op de vraag of belanghebbende voorkoming van dubbele belasting kan krijgen ter zake van haar belang met betrekking tot Braziliaanse teakplantages, welke belang in box 3 belast werd. Het hof toetst in dit verband of belanghebbende er in slaagt om aannemelijk te maken dat zij de economische eigendom van (een deel van) deze plantages heeft. Hieraan ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het zijn van economisch eigenaar van de onroerende zaak voldoende is voor het verkrijgen van voorkoming van dubbele belasting onder artikel 6 van het belastingverdrag tussen Nederland en Brazilië.
HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:18, V-N 2013/34.18, betreft de vraag of bepaalde restauratiekosten in verband met een (in box 3 vallend) appartementsrecht aftrekbaar zijn als uitgaven voor een monumentenpand. De Hoge Raad oordeelt dat aftrek slechts mogelijk is van kosten die zien op werkzaamheden die zijn verricht na de verkrijging van het economische belang bij het appartementsrecht.
Hof Amsterdam past in zijn uitspraak van 8 oktober 201510 mijns inziens terecht de benadering toe dat voor het in aanmerking nemen van vermogen, in casu een bankrekening, eerst gekeken wordt naar de juridische gerechtigdheid, maar dat in afwijking daarvan de economische eigendom doorslaggevend is.
Hof Amsterdam11 oordeelde voorts over een zaak waarbij belanghebbende tot een aanmerkelijk belang behorende certificaten geschonken had aan zijn kinderen tegen schuldigerkenning van de koopsom. In verband hiermee was bovendien een inkomstenbelastingschuld voldaan, waarvoor renteloos uitstel van betaling was verleend, met betaling in tien jaarlijkse termijnen. Deze vorderingen en de schuld vielen beide in box 3, met dien verstande dat de schuld op grond van artikel 5.3 lid 3 sub c Wet IB 2001 weer was uitgezonderd. Vervolgens droeg belanghebbende zijn vorderingen over aan de BV op wier aandelen de certificaten betrekken hadden, alsmede in economische zin ook de belastingschuld.12 Koopsom voor de vorderingen en vergoeding voor overname van de schuld werden met elkaar verrekend, met als gevolg dat er, althans naar de mening van belanghebbende, geen vordering op de BV resteerde. De inspecteur betoogde echter dat van een geldige schuldovername geen sprake was, zodat belanghebbende nog steeds een van box 3 uitgezonderde schuld had, alsmede een tbs-vordering13 op de BV.
Het hof kiest voor een economische benadering en oordeelt dat op grond van de tussen belanghebbende en de BV gesloten overeenkomst de draagplicht van de belastingschuld is overgegaan op de BV. Indien de schuld geheel of gedeeltelijk kwijtgescholden zou worden, kwam dit voordeel de BV toe. De schuld kwam vanaf het moment van sluiten van de overeenkomst voor rekening en risico van de BV en ging belanghebbende economisch niet meer aan. Het hof gaat derhalve uit van een positie vergelijkbaar met economische eigendom, maar dan met betrekking tot een schuld. Het hof volgt belanghebbende derhalve in de door hem voorgestane verrekening, zodat van een tbs-vordering geen sprake is. De Hoge Raad is van mening dat het oordeel van het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, noch onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is.14
Gezien deze jurisprudentie kan derhalve ook voor box 3 het concept economische eigendom toegepast worden,15 met als gevolg dat het de economisch eigenaar is bij wie een goed (of gezien het laatste arrest een schuld) in box 3 in aanmerking genomen wordt en niet de juridische rechthebbende.16 Dit past bovendien in een consistent inkomstenbelastingsysteem: een meer juridische benadering leidt tot het ongerijmde effect dat als men economisch (en daarmee fiscaal) eigenaar is van een in box 1 vallend vermogensbestanddeel, bijvoorbeeld een tbs-vordering, ineens zou ophouden om fiscaal eigenaar van dezelfde vordering te zijn, op het moment dat de vordering zou ophouden als tbs-vordering te kwalificeren. De omstandigheid dat in box 3 een meer juridische benadering wordt gevolgd, zou dan leiden tot een daling van het vermogen ter zake waarvan de belastingplichtige in de heffing betrokken wordt.
Derhalve kan mijns inziens binnen de gehele Wet IB 2001 uitgegaan worden van de economische eigenaar, in plaats van de juridische eigenaar, bij het bepalen bij welke persoon een goed of een schuld fiscaal in aanmerking genomen wordt.17 Hetzelfde concept van economische eigendom kan bovendien naar mijn mening worden doorgetrokken naar de Successiewet. In zijn arrest van 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3392, BNB 2008/203, oordeelt de Hoge Raad over de situatie waarin een erflater enkele jaren voor zijn overlijden zijn woning had verkocht aan één van de erfgenamen. Levering van de woning en betaling van de koopsom waren uitgesteld tot zes maanden na het overlijden van de erflater. Na afwikkeling hiervan resteerde in de nalatenschap (overig vermogen daargelaten) slechts de koopsom, welke significant lager was dan de waarde in het economische verkeer van de woning. De inspecteur nam het standpunt in dat het verschil tussen koopsom en waarde belast was op grond van de fictie van artikel 10 SW. De Hoge Raad oordeelt echter dat deze fictie niet van toepassing is, aangezien de woning zowel juridisch als economisch tot het vermogen van de erflater was blijven behoren, zodat noch juridisch, noch economisch sprake was van een omzetting van eigendom in een genotsrecht, waar artikel 10 SW op ziet. De omstandigheid dat in de ogen van de Hoge Raad voor de toepassing van deze fictiebepaling voldoende is als in economische zin een dergelijke transactie heeft plaatsgevonden, betekent dat de Hoge Raad het concept van economische eigendom ook voor de toepassing van de Successiewet hanteert.
De omstandigheid dat de certificaathouder, indien de voorwaarden waaronder certificering heeft plaatsgevonden zodanig zijn dat hij inderdaad als economisch eigenaar van de onderliggende goederen beschouwd kan worden, ook fiscaal als eigenaar hiervan te gelden heeft, heeft gevolgen voor verschillen de elementen binnen de inkomstenbelasting en schenk- en erfbelasting. Hierbij denk ik aan de waardering, maar ook aan de vraag of certificering tot een belaste vervreemding kan leiden, het genietingstijdstip van inkomsten en de vraag of inkomsten uit het gecertificeerde vermogen hetzelfde karakter behouden, met name indien niet onmiddellijk dooruitkering hiervan plaatsvindt, maar bijvoorbeeld herinvestering door de STAK. In de navolgende paragrafen zal ik deze aspecten voor de inkomstenbelasting (en daarbinnen de verschillende boxen) en de schenk- en erfbelasting apart bespreken.