Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/1.1
1.1 Aanleiding voor dit onderzoek: Urgenda
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233781:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7145, AB 2015/336, m.nt. Backes.
Zie in het bijzonder r.o. 4.53 tot en met 4.86.
Zie bijv. Boogaard 2016, p. 29-31; Lefranc 2018, p. 600-603, voor een bespreking van de verschillende reacties en verdere verwijzingen.
Voermans 2015. Zie in dezelfde zin ook Boogaard en Den Hollander 2015; Boogaard 2016, p. 28-31. Anders of genuanceerder: Van Gestel 2015; Van Gestel en Loth 2015; Castermans 2016. Zie over wetgevingsbevelen meer in het algemeen HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8462, NJ 2003/691, m.nt. Koopmans, AB 2004/39, m.nt. Backes, SEW 2004/31, m.nt. Besselink (Waterpakt); HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8913, NJ 2004/679, m.nt. Koopmans (Faunabescherming/Fryslân); en HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:523, AB 2014/230, m.nt. Boogaard en Uzman (Thuiskopieheffing). Vgl. ook recent Uzman en Boogaard 2020, naar aanleiding van HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006, AB 2020/24, m.nt. Backes en Van der Veen (Urgenda).
Schutgens 2015a. Vgl. ook Fleurke en Smeehuijzen 2018, p. 2235.
Bergkamp 2015, p. 2278; Bovend’Eert 2015. Vgl. ook Gras 2015; Gras 2018; Gras 2019.
Vgl. ook Boogaard 2016, p. 28.
Hof Den Haag 9 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2591, AB 2018/417, m.nt. Van der Veen en Backes, JB 2019/10, m.nt. Sanderink. Zie hierover bijv. Besselink 2018; Spijkers 2019.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006, AB 2020/24, m.nt. Backes en Van der Veen.
Eén van de meest besproken rechterlijke uitspraken van de afgelopen jaren, zo niet van de afgelopen decennia, is ongetwijfeld het Urgenda-vonnis van de rechtbank in Den Haag van 24 juni 2015.1 Zoals bekend, verplichtte de rechtbank de Staat bij dat vonnis om de uitstoot van broeikasgassen met minimaal een kwart te reduceren ten opzichte van de uitstoot eind 1990. Volgens de huidige stand van de wetenschap is een dergelijke reductie minimaal vereist om de gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. Aanvankelijk had de Staat zich vastgelegd op een reductiedoestelling van 30 procent. Deze doelstelling heeft hij in 2010 echter laten varen voor een reductiedoelstelling van 20 procent. De rechtbank oordeelde dat de Staat, door uit te gaan van een lagere reductiedoelstelling dan het volgens de huidige stand van de wetenschap geldende minimumvereiste van 25 procent, zijn maatschappelijke zorgplicht had geschonden en daarmee onrechtmatig had gehandeld.2
Het Urgenda-vonnis van de rechtbank is uit verschillende hoeken sterk bekritiseerd.3 Als meest principiële kritiek is naar voren gebracht dat dit vonnis op gespannen voet stond met de rol van de rechter binnen de trias. Deze kritiek richtte zich niet alleen op het reductiebevel als zodanig, dat zou neerkomen op een verboden wetgevingsbevel, maar ook op de inhoudelijke beoordeling door de rechtbank.4 Sommige auteurs, onder wie Schutgens, hebben zich gekeerd tegen de toepassing van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm uit artikel 6:162 BW als grondslag voor de hiervoor bedoelde reductieplicht voor de Staat. Deze toepassing zou het mogelijk maken om vele andere maatschappelijke en politieke vraagstukken aan de rechter voor te leggen.5
Andere auteurs, zoals Bergkamp en Bovend’Eert, zijn nog een stap verdergegaan. Zij hebben, onder verwijzing naar de Amerikaanse political questiondoctrine, betoogd dat de rechtbank zich onbevoegd had moeten verklaren om van het geschil kennis te nemen, en daarmee van een inhoudelijke beoordeling had moeten afzien, omdat het geschil raakte aan fundamenteel politieke vragen.6 Door dat niet te doen, is de rechtbank volgens deze auteurs vervallen in beschouwingen die sterk politiek en beleidsmatig getint zijn en waarover niet de rechter, maar regering en parlement zich zouden moeten uitspreken.7
Deze kritiek heeft de rechter niet kunnen overtuigen. Op 9 oktober 2018 bekrachtigde het gerechtshof in Den Haag het vonnis van de rechtbank.8 Een jaar later, op 20 december 2019, verwierp de Hoge Raad het door de Staat hiertegen ingestelde cassatieberoep.9 Net als de rechtbank, oordeelden het hof en de Hoge Raad dat de Staat gehouden is de uitstoot van broeikasgassen eind 2020 met minimaal 25 procent te doen reduceren ten opzichte van de uitstoot eind 1990. Opvallend is dat het hof en de Hoge Raad dit oordeel niet baseerden op de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm uit artikel 6:162 BW, maar op artikel 2 en artikel 8 EVRM. De positie van de rechter binnen het staatsbestel stond volgens het hof en de Hoge Raad niet aan een inhoudelijke beoordeling in de weg.