Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/1.3
1.3 Vraagstelling en afbakening
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233626:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
In het kader van de discussie over de rol van de rechter kunnen ook diverse andere leerstukken of doctrines worden onderscheiden. Deze andere leerstukken of doctrines zullen uitsluitend ter sprake komen voor zover zij relevant zijn bij de beoordeling in hoeverre ook in Nederland een political question-doctrine bestaat. Dit geldt vooral voor wetgevingsbevelen en het toetsingsverbod van artikel 120 Gw. Andere leerstukken of doctrines, zoals het onderscheid tussen judicial activism en judicial restraint, marginale toetsing in het bestuursrecht en de terughoudendheid bij het aannemen van rechtstreekse werking van verdragen, zullen in principe niet ter sprake komen.
Zie bijv. Everaert 2004; Koopmans 2003, p. 101-103; Koopmans 1993, p. 19-21.
Zie over de Britse doctrine bijv. Van der Hulle 2018b; Vgl. ook recent U.K. Supreme Court 24 september 2019, 2019 UKSC 41 (Miller v. Prime Minister & Cherry and others v. Advocate General of Scotland), over de beslissing van de regering-Johnson om het parlement in de aanloop naar de Brexit te schorsen. De vraag was of deze beslissing wel of niet voor de rechter ter discussie kon worden gesteld en daarmee al dan niet als een political question had te gelden. Het Britse Hooggerechtshof oordeelde dat de rechter zich over deze beslissing kon uitspreken en verklaarde de beslissing onverbindend wegens strijd met de soevereiniteit en constitutionele rol van het parlement. Vgl. over deze discussie en voor een verwijzing naar de political question-doctrine in dit verband bijv. Boogaard e.a. 2019, p. 2620; De Lange 2020, p. 270.
Zie in de Nederlandse literatuur bijv. Sillen 2010, p. 15-16.
Zie hierover bijv. Epps en Sitaraman 2019.
Zie in de Nederlandse literatuur hierover bijv. Heringa 2003, p. 259.
Zie bijv. Sillen 2010, p. 15-16.
Grove 2015, p. 1921-1922. Vgl. ook Stern 1984; Stern 2018; Dodson 2020, p. 34-38.
De zojuist genoemde zaken hebben niet alleen met elkaar gemeen dat zij, net als Urgenda, betrekking hebben op de hiervoor bedoelde discussie over de rol van de rechter ten opzichte van de wetgever, maar ook uitdrukkelijk met de Amerikaanse political question-doctrine in verband zijn gebracht. Dit roept de vraag op of er in Nederland een vergelijkbare doctrine bestaat en, zo ja, wat deze doctrine inhoudt, in welke geschillen de doctrine wordt toegepast, hoe deze doctrine zich verhoudt tot de Amerikaanse doctrine, en hoe een dergelijke doctrine moet worden gewaardeerd. Deze vraag staat in dit onderzoek centraal. Het antwoord daarop kan een bijdrage leveren aan de verdere gedachtewisseling over de rol van de rechter ten opzichte van de wetgever.1
Om deze hoofdvraag te kunnen beantwoorden, zullen bij dit onderzoek de volgende deelvragen worden gehanteerd:
Wat houdt de Amerikaanse political question-doctrine in, waartoe dient zij en wat is haar grondslag? In welke gevallen wordt deze doctrine door hogere en lagere Amerikaanse rechters toegepast en welke motieven liggen daaraan ten grondslag?
In hoeverre kent het Nederlandse recht een met de Amerikaanse political question-doctrine vergelijkbare doctrine of leerstukken met een daarmee vergelijkbare werking?
Hoe verhoudt een doctrine op grond waarvan de rechter een inhoudelijke beoordeling in een voorkomend geval achterwege moet laten zich tot de trias politica en de rol van de rechter?
Uit de formulering van deze hoofdvraag en deelvragen blijkt dat dit onderzoek zich in het bijzonder richt op de Amerikaanse political question-doctrine.
Daarbij verdient opmerking dat niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in andere landen, zoals België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, verwante doctrines zijn ontwikkeld.2 Ook in die landen heeft de rechter erkend dat sommige beslissingen of handelingen van de andere staatsmachten niet voor de rechter kunnen worden aangevochten. Vaak gaat het dan om beslissingen van de uitvoerende macht op het gebied van het buitenlands beleid.3
Zoals de hiervoor besproken rechtspraak en reacties in de literatuur illustreren, geniet de Amerikaanse political question-doctrine in Nederland echter veel meer bekendheid dan vergelijkbare doctrines uit andere landen. Om die reden, maar ook met het oog op de omvang en het doel van dit onderzoek, richt dit onderzoek zich alleen op de Amerikaanse doctrine.
Daarbij ga ik er overigens van uit dat de political question-doctrine eerst en vooral een instrument is van de Amerikaanse federale rechter. Zoals later in dit onderzoek zal blijken, hangt de doctrine samen met de machtenscheiding op federaal niveau en artikel III van de Amerikaanse Grondwet. De Amerikaanse federale rechterlijke organisatie is op die bepaling gebaseerd en kent drie instanties: vierennegentig District courts, elf Courts of Appeals en één Hooggerechtshof.4
Het Hooggerechtshof verdient hier bijzondere aandacht. Dit is het hoogste federale rechtscollege van de Verenigde Staten en bestaat uit negen leden die voor het leven worden benoemd. Hun benoeming is een zeer politieke aangelegenheid.5 Als hoogste federale rechter heeft het Hof het laatste woord bij het uitleggen en toepassen van federale wetgeving en de Amerikaanse Grondwet. Daarbij geldt in beginsel wel een zogenoemd verlofstelsel: het Hof is meestal niet verplicht om zich over een bepaalde zaak uit te spreken, maar kan zonder nadere motivering weigeren een zaak in behandeling te nemen.6 Niet kan worden uitgesloten dat de political question-doctrine ook bij beslissingen van het Hof om een zaak al dan niet naar zich toe te trekken een rol speelt. Bij het ontbreken van een nadere motivering – anders dan een dissenting opinion of statement van sommige leden in een voorkomend geval – is het niet mogelijk om dit met zekerheid na te gaan. In dit onderzoek beperk ik mij daarom tot een bespreking van zaken die het Hof wel aan zich heeft getrokken en waarin het zich over de doctrine heeft uitgesproken.
Naast de federale rechtscolleges zijn er ten slotte ook nog gespecialiseerde colleges en rechterlijke colleges op het niveau van de deelstaten ingesteld.7 Ik ben niet bekend met een vergelijkbare doctrine die door deze gespecialiseerde of statelijke rechters wordt toegepast. Sommige auteurs hebben opgemerkt dat eenzelfde doctrine ook op statelijk niveau bestaat, maar grotendeels overeenkomt met de door de federale rechter gehanteerde doctrine.8 Om die reden, en met het oog op de omvang van dit onderzoek, laat ik de vraag of statelijke rechters een vergelijkbare doctrine hanteren buiten beschouwing.