Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/12.2.5
12.2.5 Direct extern werkend besluit
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS349487:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het direct externe besluit Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/293 en Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2013/98.
In gelijke zin Van Olffen (inaug. rede) 2000, p. 33. Anders Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/254 die intrekking als een vormvrije rechtshandeling beschouwen en daarmee – naar ik aanneem – van mening zijn dat de vennootschap bij die rechtshandeling vertegenwoordigd zal moeten worden.
Zie paragraaf 4.4.3.
Kamerstukken II 2005/2006, 30 419, nr. 3, p. 26. Vgl. Nieuwe Weme (diss.) 2004, p. 152-154.
Op grond van art. 2:99 lid 5 BW wordt een besluit tot vermindering van het geplaatste kapitaal niet van kracht zolang verzet kan worden gedaan. Indien tijdig verzet is gedaan, wordt het besluit eerst van kracht, zodra het verzet is ingetrokken of de opheffing van het verzet uitvoerbaar is. Ik meen hieruit af te leiden dat het besluit tot intrekking direct externe werking heeft, zij het dat het besluit pas van kracht is nadat de verzetperiode is verstreken, of – in geval van gedaan verzet – het verzet is ingetrokken of de opheffing van het verzet uitvoerbaar is. Dat wil zeggen dat het besluit als een rechtstreeks tot de stichting continuïteit gerichte rechtshandeling van de vennootschap moet worden beschouwd.1 Het besluit hoeft derhalve niet te worden uitgevoerd door middel van een intrekkingshandeling.2 Anders dan bij uitgifte hoeven de vennootschap en de stichting derhalve geen overeenkomst met elkaar aan te gaan op grond waarvan de intrekking van de beschermingsprefs wordt geëffectueerd.3 Ook intrekking door de bv van losse aandelen van een soort of aanduiding is niet aan nadere formaliteiten en rechtshandelingen onderworpen.
Zijn de beschermingsprefs eenmaal ingetrokken, dan keert het geplaatste kapitaal van de vennootschap weer terug naar de toestand van vóór de uitgifte van de beschermingsprefs. Indien de vijandige aandeelhouder in de periode waarin de beschermingsprefs waren uitgegeven aandelen op de beurs heeft bijgekocht, dan zal hij rekening moeten houden met de biedplicht. Overschrijdt hij namelijk door de intrekking van de beschermingsprefs de 30%-grens, dan zal hij gehouden zijn om een openbaar bod uit te brengen op alle aandelen van de vennootschap.4 Dat geldt niet indien de beschermingsprefs zijn uitgegeven na aankondiging van een vijandig bod. De bieder kan dan zijn vrijwillig openbaar bod trachten door te zetten. Verder kan de vijandige aandeelhouder gebruikmaken van de term de grâce die de wetgever biedt. Ingevolge art. 5:72 lid 1 Wft zal hij dan binnen 30 dagen na verkrijging van overwegende zeggenschap zijn belang tot onder de 30% grens moeten brengen. Voorts zal rekening gehouden moeten worden met bijvoorbeeld bestuursfuncties of commissariaten die zijn verbonden aan het aantal aandelen dat de bieder of aandeelhouder mogelijk in de vennootschap houdt.