Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.5.2
4.3.5.2 Voorbehoud en voorlichting of extra service?
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661215:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Bovendien zijn de beleidsmatige en praktische functie van voorlichting ook niet helemaal los te zien van de rechtsstatelijke functie (zie paragraaf 2.3).
Geradts in FED 2002/469, punt 3.
Zie ook in Rechtbank Gelderland 11 april 2019, nr. AWB - 18 _ 6250, V-N 2019/38.15, r.o. 12 waarbij de uitkomst van een rekenmodule op de Website inzake de MRB werd gekwalificeerd als een toezegging (waarbij geen voorbehoud was gemaakt).
Het arrest BNB 2002/45 is ook om een andere reden interessant. Volgens de Hoge Raad ging het bij de rekenhulp bij het aangifteprogramma om iets dat werd aangeboden ‘kennelijk als extra service voor de belastingplichtige’. Dit roept de vraag op of de Hoge Raad een onderscheid maakt tussen enerzijds voorlichting die wordt verstrekt ten behoeve van de nakoming van wettelijk verankerde rechten en plichten (bijvoorbeeld doen van aangifte, een teruggaaf vragen) en anderzijds (voorlichting met) extra service die aanvullend is, maar niet noodzakelijk is voor die nakoming (bijvoorbeeld de rekenmodule die een berekening geeft). Bezien vanuit BNB 2002/45 lijkt het erop dat bij het eerste type de wet onder strikte uitzonderingen opzij kan worden gezet, terwijl bij het tweede type reeds een enkel voorbehoud aan toepassing van het vertrouwensbeginsel in de weg kan staan.
Voor bovengenoemd onderscheid kan vanuit juridisch oogpunt een argument worden gegeven: het eerste dient een principiële functie, het tweede dient veeleer een praktische en beleidsmatige functie (paragraaf 2.3). Anderzijds dienen beide vormen van informatieverstrekking (hulpverlening) elk uiteindelijk een rechtsstatelijk belang. Bovendien roept het maken van een onderscheid vragen op in termen van afbakening (zoals vanwege de onderlinge verwevenheid tussen doen van aangifte en de daaruit volgende en daarbij gepresenteerde berekening), de van de Belastingdienst te verlangen zorgvuldigheid (ongeacht de aard van de uiting) en het perspectief van de burger (is een dergelijk onderscheid wel herkenbaar?). In dat opzicht acht ik het maken van een dergelijk onderscheid voor toepassing van het vertrouwensbeginsel niet goed verdedigbaar.1
Bovendien moet – ook in gevallen van ‘extra service’ – de situatie worden onderscheiden dat sprake is van een vergissing en de situatie dat sprake is van een onjuiste rechtsopvatting. Vergelijk het betoog van Gerardts in BNB 2002/45:
‘Een belastingplichtige die aangifte doet via de belastingdiskette mag erop vertrouwen dat de diskette de wettekst interpreteert en toepast zoals de Belastingdienst denkt dat juist is, derhalve conform de berekeningen van de 'grote computer' van de Belastingdienst in Apeldoorn. Bij een mogelijk onjuiste interpretatie van de wet in de diskette kan de belastingplichtige ondanks de exoneratieclausule wel vertrouwen ontlenen aan de berekening. Ook werkt het gelijkheidsbeginsel dan juist wel. In dit geval speelt een rol dat het gelet op de fout onmogelijk is dat er sprake is van een kennelijke vergissing. In dit geval moet er sprake zijn geweest van een welbewuste keuze tussen twee berekeningsmethoden door de samenstellers van de belastingdiskette. Ook de Hoge Raad vindt dit, blijkens de woordkeuze 'de in de uitkomst van de berekening besloten liggende rechtsopvatting' in rechtsoverweging 3.1.3. Indien er sprake is van een onjuiste interpretatie van de wet bij het totstandkomen van de belastingdiskette, dan kan men de bewuste keuze voor de onjuiste berekeningsmethodiek gelijkstellen met een beleidsuiting van de zijde van de Belastingdienst, gepubliceerd met goedkeuring en medeweten van de bevoegde fiscale autoriteiten (…). Dat gaat derhalve verder dan de kennelijke vergissing in de algemene toelichting in het arrest (…) BNB 1988/148 (…). In zo'n situatie prevaleert wat bij betreft het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel boven de juiste wetstoepassing.’2
In het eerste geval kan worden betoogd dat een foutje in extra service niet direct de wet opzij moet zetten. Maar in het tweede geval valt, zo ben ik met Geradts eens, de kennelijk bewuste keuze voor een (wettelijk onjuiste) interpretatie gelijk te stellen aan een (goedkeurende) standpunt. In zo’n geval verschiet de uiting van kleur en wordt het servicekarakter verdrongen door een beleidskarakter.3 Deze zaak illustreert overigens bovendien hoezeer de methode van de Hoge Raad tot afbakeningsvraagstukken tussen categorieën vertrouwenwekkende uitingen kan leiden (zie paragraaf 4.6).