Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/9.3.1:9.3.1 Drie motieven
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/9.3.1
9.3.1 Drie motieven
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455200:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als gezegd koos de wetgever van 1932 bij de instelling van het verbod op godslastering voor een dynamisch-objectiverende definitie van de termen ‘godslastering’ en ‘godsdienstige gevoelens’. In deze paragraaf bestudeer ik de legitimatie voor deze definiëring. Op grond van de wetsgeschiedenis kom ik tot drie motieven voor het gebruik van een dynamisch-objectiverende definitie. Het eerste, juridische motief vormt het grondrecht van de godsdienstvrijheid: de bescherming van godsdienstige gevoelens van de meerderheid van de bevolking viel volgens de wetgever onder de godsdienstvrijheid. Het tweede motief is confessioneel van aard: godslastering was volgens de wetgever een inbreuk op de sfeer van de gelovige en God. Het derde motief is gelegen in de openbare orde: bescherming van godsdienstige gevoelens van de meerderheid van de bevolking was volgens de wetgever nodig om de collectieve gemoedsrust van de bevolking te bewaren.