De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.5.2.1:5.5.2.1 Algemeen: de regeling volgens de Richtlijn
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.5.2.1
5.5.2.1 Algemeen: de regeling volgens de Richtlijn
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS393599:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan het vraagstuk van de subsidiariteit van het waarborgfonds is reeds uitvoerig aandacht besteed in paragraaf 4.63. De subsidiariteit is in het overgrote deel van de lidstaten het voor de praktijk belangrijkste middel om de toegang tot het waarborgfonds te beperken en daarmee de omvang en de kosten ervan te beheersen.
Zie ter illustratie van de wens om de financiële omvang van het waarborgfonds te beperken de bij Feyock, Jacobsen & Lemor geciteerde overwegingen in de parlementaire behandeling van het Duitse Pflichtversicherungsgesetz.1 De finanzielle Aufwand' moet aldus de parlementaire toelichting In tragbaren Grenzen gehalten werden'. Feyock, Jacobsen & Lemor vestigen er daarnaast de aandacht op, dat ook de uitkeringen beperkt moeten worden tot gevallen waarin de benadeelde in een schrijnende positie verkeert en waartegen hij zich het minst zelf kan beschermen. Dat leidt er in Duitsland toe dat een slachtoffer onder omstandigheden een geringere vergoeding ontvangt van het waarborgfonds dan hij zou hebben ontvangen van een verzekeraar. Als voorbeeld kan worden gewezen op de Duitse regeling ter zake van smartengeld. Dit aspect komt hierna op verschillende plaatsen nog aan de orde.
In paragraaf 4.63 is er reeds op gewezen dat de regeling van de Richtlijn niet uitblinkt door duidelijkheid. De subsidiariteit heeft een tweetal zijden: in de eerste plaats wil de Richtlijn het de lidstaten mogelijk maken de benadeelde geen aanspraak op het waarborgfonds te bieden als hij zijn schade reeds uit andere bron vergoed krijgt. Een noodzakelijk complement daarvan is dat ook de particuliere verzekeraar of de sociale verzekeraar die in eerste instantie de schade van de benadeelde heeft vergoed eveneens de toegang tot het waarborgfonds moet worden ontzegd. Anders zou een sluipweg naar het waarborgfonds immers eenvoudig kunnen worden gevonden, doordat de verzekerde benadeelde ervoor opteert om geen beroep op zijn eigen verzekering te doen (bijvoorbeeld om zijn B/M-positie te beschermen). Het doel van de nationale wetgever - het beperken van het beroep op het waarborgfonds - zou dan niet worden bereikt.
Bij 'uitkeringen uit anderen hoofde' moet overigens niet alleen worden gedacht aan eigen verzekeringen van de benadeelde, zoals sociale verzekeringsdekkingen, ziektekostenverzekeringen of casco-verzekeringen, maar ook aan aanspraken uit hoofde van aansprakelijkheidsverzekeringen van wel bekende en verzekerde medeaansprakelijken. Ook onder deze omstandigheden kan de nationale wetgever bepalen dat de benadeelde eerst deze verzekeraar heeft aan te spreken. Voor zover hij van deze vergoeding ontvangen kan, heeft hij dan geen aanspraak op het waarborgfonds.
Het tweede aspect betreft de vraag of het de lidstaten is toegestaan de aanspraken van de benadeelde op het waarborgfonds in zoverre in te perken dat zij - als de benadeelde een aanspraak op het waarborgfonds heeft - de uitkering lager mogen stellen dan hetgeen een verzekeraar zou hebben uit te keren.2 Het antwoord op die vraag hangt af van de betekenis en reikwijdte die men aan het subsidiariteitsbeginsel wenst te geven. Twee benaderingen zijn daarbij denkbaar: ofwel men hecht doorslaggevende betekenis aan de woorden "tenminste binnen de grenzen van de verplichte verzekering" in de eerste volzin van art. 10 lid 1, dan wel men neemt als uitgangspunt dat het waarborgfonds een vangnet is dat slechts voor schrijnende gevallen behoeft op te komen.
Jurisprudentie van het HvJ van de EU ontbreekt. Ik zou menen dat de eerste benadering het meest in overeenstemming met de Richtlijn is. De Richtlijn wil de benadeelde van een ongeval waarvoor een onbekend gebleven of niet verzekerde aansprakelijke verantwoordelijk is zoveel mogelijk in dezelfde positie brengen als de benadeelde die wel een verzekeraar tegenover zich vindt. Vergelijk de gedachtegang die ten grondslag heeft gelegen aan het schrappen van de mogelijkheid om een eigen risico toe te passen bij zaakschade die is veroorzaakt door onverzekerde aansprakelijken. Zie overweging 13 bij de 5e Richtlijn:
"Op grond van een thans in Richtlijn 84/5/EEG neergelegde keuzemogelijkheid kunnen de lidstaten, tot een bepaald maximumbedrag, een franchise toestaan, waarvoor de slachtoffers aansprakelijk zouden zijn in het geval van door niet-verzekerde voertuigen veroorzaakte materiële schade. Deze keuzemogelijkheid tast zonder enige rechtvaardiging de bescherming van slachtoffers aan en leidt tot discriminatie ten opzichte van slachtoffers van andere ongevallen. Zij dient daarom niet langer te worden toegestaan."
Merkwaardig - en kennelijk berustend op een vergissing - is in dit verband overweging 16 bij de gecodificeerde Richtlijn:
"De lidstaten mogen ter verlichting van de financiële lasten van dit orgaan (het waarborgfonds, FJB) voorzien in de toepassing van bepaalde franchises voor de vergoeding door dit orgaan van materiële schade veroorzaakt door niet-verzekerde (curs. FJB) of, in voorkomend geval, door diefstal of geweldpleging verkregen voertuigen."
De tekst van art. 13, lid 2 van de Richtlijn staat wel een franchise van 250 toe bij schade veroorzaakt door diefstal of geweldpleging veroorzaakte schade, maar niet als het voertuig niet verzekerd was.
De Richtlijn verplicht de lidstaten ertoe de benadeelde aanspraken op het waarborgfonds te geven tenminste binnen de grenzen van de verplichte verzekering en dat betekent de schadevergoeding waartoe ook een verzekeraar gehouden zou zijn. Moet een verzekeraar onder bepaalde omstandigheden smartengeld uitkeren, dan zal dat ook voor het waarborgfonds hebben te gelden.
Een argument kan voorts nog worden ontleend aan de bepaling, ingevoerd met de 5e Richtlijn, dat zaakschade die is veroorzaakt door onbekenden en die gepaard gaat met aanzienlijk letsel, vergoed dient te worden (zij het met de mogelijkheid van een franchise van € 500). Het zou in dat licht merkwaardig zijn als deze materiële schade wel (in beginsel) vergoed dient te worden, maar dat een zo wezenlijk element van personenschade als smartengeld onvergoed zou kunnen blijven.
Ik meen dan ook dat een beperking van de schadevergoeding door het waarborgfonds ten opzichte van hetgeen een verzekeraar zou moeten vergoeden - buiten de met zoveel woorden door de Richtlijn toegestane beperkingen - strijdig is met de Richtlijn.
De Richtlijn staat het de nationale wetgever niet toe als voorwaarde voor de aanspraak op het waarborgfonds te eisen dat de benadeelde op enigerlei wijze aantoont dat de aansprakelijke niet kan of wil betalen. Zie art. 10 lid 1, tweede alinea van de Richtlijn.