Fiscaal overgangsbeleid
Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/5.6.1:5.6.1 Inleiding
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/5.6.1
5.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS415003:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. HR 24 oktober 1984, nr. 22 456, BNB 1985/59 (m.nt. Hofstra); Rb. Den Haag 30 augustus 2007, nr. AWB 06/170, Belastingblad 2008/985 (m.nt. Kruimel).
Notitie TWK, p. 4; zo ook de toelichting op aanwijzing 167 AR.
Vgl. HvJ EG 11 juli 1991, nr. C-368/89 (Crispoltoni), ECR 1991, p. I-3695, ro. 17.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In par. 4.4.1.1 heb ik een aantal factoren genoemd die Popelier hanteert bij het beoordelen van vertrouwen. Van deze factoren knoopt een aantal niet zozeer aan bij de aard van de bestaande regel, maar bij gebeurtenissen en ontwikkelingen die ervoor zorgen dat een wetswijziging voorzienbaar wordt. Ik doel op ‘het criterium van de juridische context’ en ‘het criterium van de externe omstandigheden’.
Vanaf het moment dat een wetswijziging volledig voorzienbaar is, kunnen geen gerechtvaardigde verwachtingen op het voortbestaan van de oude regel meer ontstaan. Dit uitgangspunt komt ook in jurisprudentie inzake de toetsing van lagere regelgeving naar voren.1 Het moment van voorzienbaar worden vormt hiermee een belangrijk aanknopingspunt voor het prikken van een datum waarop de werking van de nieuwe regel in principe kan aanvangen of de bescherming van bestaande toestanden kan ophouden zonder dat het beginsel van eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen wordt geschonden. In de Notitie TWK wordt dit het tijdselement genoemd. Ik gebruik deze term niet omdat als het gaat om voorzienbaarheid lang niet altijd één moment in de tijd is aan te wijzen. Voorts wordt in de Notitie TWK de term ‘tijdselement’ geplaatst tegenover de term ‘inhoudelijk element’. Mijns inziens leidt dit tot verwarring omdat de voorzienbaarheid van wetswijzigingen ook kan worden bepaald door een inhoudelijk element, zoals de aankondiging van een wetswijziging bij persbericht. In dit opzicht gebruikt de staatssecretaris van Financiën de term ‘inhoudelijk element’ terecht om aan te geven of terugwerkende kracht gerechtvaardigd is. Een duidelijk onderscheid tussen het ‘tijdselement’ en het ‘inhoudelijk element’ is er dan evenwel niet.
In de Notitie TWK wordt opgemerkt dat de grens van de terugwerkende kracht veelal zal moeten samenvallen met de datum waarop van de betrokkenen redelijkerwijs kan worden gevergd dat zij, voorafgaand aan de inwerkingtredingsdatum, met de verandering in de regelgeving rekening konden houden.2 Ook ter beantwoording van de vraag of maatschappelijk en materieel terugwerkende kracht toelaatbaar zijn, is het evenwel van belang vast te stellen vanaf welk moment de wetswijziging in een bepaalde mate voorzienbaar was.3 Maatschappelijk terugwerkende kracht kan overigens alleen ontstaan ten aanzien van verwachtingen die werden gevormd vóórdat een wetswijziging volledig voorzienbaar werd. Ná het volledig voorzienbaar worden van een wetswijziging konden belastingplichtigen bij het vormen van hun verwachtingen immers met het nieuwe regime rekening houden.
Voorzienbaarheid speelt evenwel niet alleen een rol bij belastende wetswijzigingen. Bij begunstigende wetswijzigingen kan voorzienbaarheid resulteren in een negatief aankondigingseffect (par. 8.2.1.1).
Een wetswijziging wordt veelal niet van het ene op het andere moment volledig voorzienbaar. Vaak leidt een bepaalde gebeurtenis tot een toename van de voorzienbaarheid van een wetswijziging. Om een rangorde tussen de verschillende gebeurtenissen en ontwikkelingen te kunnen aanbrengen, introduceer ik in par. 5.6.2 de voorzienbaarheidsfactor. In die paragraaf zal ik tevens beargumenteren waarom ik bij het toekennen van factoren onderscheid zal maken tussen particulieren en rechtspersonen/ondernemers.
Binnen de context van dit onderzoek pas ik de hiervoor genoemde criteria van Popelier aan en vul ze voorts aan met een aantal voor het belastingrecht relevante criteria. Ik maak hierna onderscheid tussen de volgende categorieën: – ‘overheids’ signalen die voorafgaan aan de aankondiging van een wetsvoorstel (par. 5.6.3);
signalen bij de aankondiging, indiening en behandeling van een wetsvoorstel (par. 5.6.4);
voorzienbaarheid ten gevolge van rechtspraak (par. 5.6.5);
voorzienbaarheid gelet op externe omstandigheden (par. 5.6.6);
declaratieve wijzigingen (par. 5.6.7).