Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/8.4.2
8.4.2 Vooropleiding leraren MO 1920/Cie-Sijmons 1929/art. 3-examen 1934
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977364:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De bevoegdheden, verbonden aan de op grond van de artikelen 141-142, 144 en 146 HO 1876 verkregen doctoraten in rechts- en staatswetenschappen, zijn respectievelijk in de gronden van de gemeente-, provinciale en Staatsinrigting van Nederland, staatshuishoudkunde c.a., en de gronden van de gemeente-, provinciale en Staatsinrigting van Nederland.
Wet van 1 maart 1920, Stb. 1920, nr. 106; Duyverman 1936, p. 131. De standpunten van de examencommissies zijn opgenomen op p. 129-131 en H. de Graaf e.a., ´Rapport van de Kommissie uit de AVMO inzake ‘De Opleiding tot het leraarsambt’. Bijvoegsel, behoorende bij het Weekblad, juni 1921.
J. Aalbers, ‘Opleiding en bevoegdheden der leeraren in Nederland’, De Gids 1923, 87, p. 291-308.
Weekblad 1 januari 1930, p. 555; Van Hulst e.a. 1970, p. 276 en Vos & Van der Linden 2004, p. 49-50.
‘Rapport van de commissie-Sijmons inzake de opleiding tot het leeraarsambt’, Weekblad 1 januari 1930, 18, p. 555; ‘Rapport der commissie-Sijmons inzake de leeraarsopleiding’, Weekblad 22 januari 1930, 21, p. 652-654 en Vos & Van der Linden 2004, p. 50.
Rapport van de Algemene Vereniging van academisch geschoolde leraren, 1932.
Volledige bevoegdheid door het bezit van MO-Staatsinrichting of MO-B Frans.
Dit artikel 3-examen is genoemd naar de regeling in artikel 68 lid 3 MO.
KB van 27 december 1934, Stb. 1934, nr. 678 (artikel 3).
Vgl. TK, Bijlage D, 229-14: Verslag van de Staat der hoogere, middelbare en lagere scholen 1909-1910. Verslag over Noord-Brabant: mondeling examen voor MO-akten, waar 1x een 9 voor Staatsinrichting (59 kand.), 10x een 9 en 1x een 10 voor Handelswetenschappen (51 kand.) en 2x een 9 voor Staathuishoudkunde en de statistiek (56 kand.) is behaald.
In het Verslag van de Commissie, in 1935 belast met het examineren van staatsinrichting (K XI) is de minimumlijst opgenomen:- Algemene rechtskennis: Van Kan of Van Apeldoorn ;- Nederlandsch staatsrecht: Kranenburg, Struycken, Buys, De Grondwet. Toelichting en Kritiek (Arnhem 1883-1888), 3 delen, Huart; - Nederlandsche staatkundige geschiedenis van de Bourgondische tijd af tot op heden: Gosses/Japikse. Voor het overige is vrije keuze. Het Verslag is een Bijvoegsel van de Ned. Stcrt. van 17 en 18 april 1936, nr. 75.
De minimumliteratuurlijst voor MO-Staatsinrichting geldt voor het mondeling examen.
Artikel 3 jo 79 en artikel 79, 2e alinea MO.
KB van 27 december 1934, Stb. 1934, nr. 678 (art.3), KB van 12 maart 1935, Stb. 1935, nr. 110.
KB van 27 december 1934, Stb. 1934, nr. 678 (art.5E).
Duyverman 1936, p. 132-136 en Bartels 1963, p. 168-169.
TEO 1935, p. 324-325.
Besluit van 20 mei 1955, Stb. 1955, nr. 224.
De pedagogisch-didactische verklaring staatsinrichting, recht en (aanvankelijk) staathuishoudkunde c.a. bestaat niet. Voor bezitters van MO-Handelswetenschappen is de verklaring nodig.
Bewijzen van bekwaamheid nr. 1.13, Publikatie nr. 14 II, O en W 1985, p. 53-54.
Niveau van vooropleiding voor MO-examens onvoldoende
Het niveau van vooropleiding van kandidaten voor de MO-akten vraagt vanaf het eerste uur aandacht. Zo levert de subexamencommissie MO-Staatsinrichting reeds spoedig voorstellen aan, waarvan de opvallendste is de examens in de staatswetenschappen ‘door hun overbodigheid’ te beëindigen. De oorzaak hiervan is de bevoegdheidsverlening voor de staatswetenschappen aan de doctor in de staatswetenschappen (artikel 93 HO). ‘De weinige kandidaten die noodig zijn, kunnen en moeten uitsluitend uit het hooger onderwijs komen’, aldus de subcommissie.1 Hiervoor is in 1920 artikel 68 MO aangevuld met lid 2 en 3:
Lid 2 - Bevoegd tot het afleggen van deze examens zijn alleen zij die bewijzen hebben geleverd van voldoende algemene ontwikkeling.
Lid 3 - Dit moet blijken uit overgelegde getuigschriften of akten van bekwaamheid. Deze bescheiden worden bij A.M.v.B. vastgesteld. Deze bevat tevens voorschriften omtrent de wijze, waarop kandidaten […] die niet in het bezit zijn van zodanige getuigschriften of akten het bewijs kunnen leveren van voldoende ontwikkeling.2
Pedagogisch-didactische eisen: bewijs van voldoende voorbereiding 1929
Over de pedagogisch-didactische eisen voor MO-akten bestaat in het onderwijs de algemeen gedeelde opvatting dat deze een wettelijke regeling verdient.3 Hierover zijn onder meer rapporten verschenen in 1921 van de Kommissie uit de Algemene Vereniging van Leeraren bij het Middelbaar Onderwijs (AVMO. W), inzake de Opleiding tot het Leeraarsambt en in 1929 van de door de AVMO ingestelde commissie-Sijmons, inzake de opleiding tot het leeraarsambt4: het examen in de theorie van het onderwijs is ‘niet tot ontwikkeling’ gekomen, maar ‘een doode letter’ gebleven.5 De commissie adviseert de lerarenverenigingen bij de wetgever te bevorderen de aanstaande vhmo-collega's colleges te laten lopen in pedagogiek, puberteitspsychologie en (vak) didactiek en hen te laten hospiteren op een vhmo-school, onder leiding van een bevoegde docent-mentor. Ook van de Algemene Vereniging van Academisch gevormde Leraren verschijnt in 1932 een rapport met aanbevelingen over de inrichting van de ULO en de pedagogisch-didactische scholing.6
Bewijs van voldoende voorbereiding voor MO-examen
MO-kandidaten7 met een deficiënte vooropleiding doen vanaf 1936 examen voor het bewijs van voldoende voorbereiding8, onder meer in de vakken geschiedenis en staatsinrichting.9 Enige MO-examencommissies hebben de vastgestelde deficiënties gemotiveerd aangegrepen om te pleiten voor toelatingsexamens.10 De subexamencommissie Staatsinrichting stelt in 1903 een lectuurlijst11 op (Bijlage IIIb).12 Het ‘voldoend bewijs’ is niet nodig voor de huisakten.13 Het ‘artikel-3-examen’ is in 1934 vastgelegd.14 De eis voor staatsinrichting is de ‘kennis van wording, taak en betekenis van de staatsorganen’.15
Algemene en speciale onderwijsleer
Voor het ped.-didactisch examen Q voor MO-Staatsinrichting is het een zoeken naar een bruikbare invulling van de eis van examenvoorbereiding voor de vhmo-leraar.16 Met steelse blikken is rond 1935 gekeken naar de eisen voor de akte Q bij MO-Boekhouden voor algemene en speciale onderwijsleer.17 Eerst in 1955 is de ped.-didactische voorbereiding - nieuwe stijl - vastgelegd. 18MO-Staatsinrichting en akte Q verschaffen een eerstegraads bevoegdheid. De meesters in de rechten bezitten deze voor recht, en voor staatsinrichting, onder voorwaarde van een doctoraaltentamen staats- en bestuursrecht.19 Ook aan doctoraalexamens (bedrijfs)economie zijn onder voorwaarden bevoegdheid voor recht en/of staatsinrichting verbonden.20