De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/7.4.3:7.4.3 Vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid van de leraar
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/7.4.3
7.4.3 Vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid van de leraar
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949395:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan elke leraar komt vrijheid van meningsuiting toe. De leraar in het hoger onderwijs kan daarnaast aanspraak maken op academische vrijheid voor wat betreft uitingen die raken aan zijn eigen wetenschapsterrein. Het gebruik van deze vrijheden door bijvoorbeeld kritiek te uiten op het bevoegd gezag of door maatschappelijk minder geaccepteerde meningen te uiten, kan leiden tot geschillen; redenen hiervoor zijn zorgen bij leerlingen of ouders over de geschiktheid van een leraar om onderwijs te geven, vrees van het bevoegd gezag voor imagoschade, of het ontstaan van een onveilige leer- of werkplek (zie § 4.4). Uit de jurisprudentie blijkt dat de leraar na het ontstaan van een dergelijk geschil vaak ontslagen mag worden: door controversiële uitingen en daarop volgende geschillen raken de arbeidsverhoudingen gaandeweg duurzaam verstoord, waarbij van het bevoegd gezag niet verwacht hoeft te worden dat hij de leraar in dienst houdt. Dat een dergelijk geschil – en daarmee de onderliggende uiting – kan leiden tot ontslag heeft mogelijk een chilling effect op de vrijheid van meningsuiting van de leraar.
De vrijheid van meningsuiting van een leraar kan enkel daadwerkelijk verwezenlijkt worden als een uiting die door deze vrijheid wordt beschermd geen negatieve gevolgen heeft voor zijn carrière (zoals ontslag of minder kansen op promotie). Deze vrijheid is echter niet onbegrensd. Van hem mag als werknemer een mate van discretie en loyaliteit aan zijn werkgever verwacht worden, evenals besef van zijn voorbeeldfunctie als leraar voor zijn leerlingen binnen én buiten de school. Daar staat tegenover dat van het bevoegd gezag, de leerling en zijn ouders verwacht mag worden dat zij tolerant zijn ten aanzien van meningen van de leraar, ook als zij die niet zelf delen.
Het is dan ook van belang dat het bevoegd gezag daadwerkelijk ruimte biedt aan leraren om hun (wellicht controversiële) mening te uiten. Als hierover binnen de school discussie ontstaat, bijvoorbeeld onder ouders en leerlingen, dan is het mede aan het bevoegd gezag om de rust te bewaren en zo nodig een gesprek over het onderwerp te faciliteren. Een onwelgevallige mening hoeft immers niet te betekenen dat een leraar niet langer geschikt is om onderwijs te geven. In het hoger onderwijs kan de leraar niet alleen aanspraak maken op vrijheid van meningsuiting, maar ook op academische vrijheid; deze laatste vrijheid bestaat ook juist om controversiële en nieuwe inzichten waar niet iedereen het per se mee eens is, te (kunnen) delen. Kern van de wetenschapsbeoefening is dat dergelijke inzichten, die na zorgvuldig onderzoek worden verkregen, openbaar worden gemaakt zodat deze door anderen getoetst en gecontroleerd kunnen worden; voorwaarde hiervoor is dan ook dat een gesprek of open discussie mogelijk is. Het is mede aan het bevoegd gezag om binnen een school, hogeschool of universiteit een dergelijke sfeer van open discussie te bewaken. Daarnaast zou het bevoegd gezag in ieder geval terughoudend moeten zijn met het verbinden van arbeidsrechtelijke gevolgen aan een onwelgevallige mening van een leraar. Overigens mag ook van de leraar verwacht worden dat hij zich inspant om een goede arbeidsverhouding te behouden met zijn collega’s en het bevoegd gezag, ook als zij inhoudelijk van mening zouden verschillen.
Wanneer een arbeidsrechtelijk geschil tussen een leraar en het bevoegd gezag over een uiting van de leraar uiteindelijk toch voor de rechter belandt, is het van belang dat de rechter in zijn oordeel expliciet de vrijheid van meningsuiting betrekt. In 2022 heeft de Hoge Raad reeds geoordeeld dat in bepaalde gevallen de vrijheid van meningsuiting niet los gezien kan worden van het ontslag van de leraar. Lagere rechters hebben in latere uitspraken (omtrent dergelijke geschillen) niet altijd de vrijheid van meningsuiting in hun oordeel betrokken; enkel de vaststelling dat de arbeidsverhouding duurzaam verstoord was, werd in die gevallen voldoende bevonden om tot ontslag over te gaan. Hierdoor speelt de vrijheid van meningsuiting geen rol in het oordeel, terwijl er in het geschil wel degelijk sprake was van een inmenging in deze vrijheid. Rechters zouden dan ook in hun oordeel de vrijheid van meningsuiting expliciet(er) moeten betrekken of er een groter gewicht aan moeten toekennen, om uitholling van deze vrijheid in arbeidsverhoudingen te voorkomen. Uiteindelijk mag van het bevoegd gezag worden verwacht dat hij tolerant is voor de mening van zijn werknemer, ook als deze mening schuurt met de mening van anderen.