Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/4.3.2
4.3.2 Boedelafstand: afgescheiden vermogen?
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS447325:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. N.J. Polak, Faillissement en surseance van betaling, 1972, p. 337; Kortmann en Faber, AA 1995, p. 128 e.v. en Van Galen, WPNR 6226 (1996), p. 415. Faber, Eigendom ten titel van beheer, kwaliteitsrekening en afgescheiden vemogen, in: Vertrouwd met de trust, 1996, p. 202 e.V.; Boekraad, diss. (1997), p. 43 e.v. en Steneker, diss. (2005), p. 104.
Vgl. Faber, Eigendom ten titel van beheer, kwaliteitsrekening en afgescheiden vermogen, in: Vertrouwd met de trust, 1996, p. 198, Boekraad, diss. (1997), p. 41 en Steneker, diss. (2005), p. 98 en 112 e.v.
Vgl. Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz I, p. 456.
Vgl. evenwel HR 23 december 1955, NJ1956,54, dat verderop zal worden besproken.
Kenbaar uit: Pres. Rb. Breda 13 maart 1993, KG 1993, 169.
Vgl. HR 23 december 1955, NJ 1956, 54.
Vgl. Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz I, p. 456.
Zie nader paragraaf 5.6.
De wet omschrijft in art. 50 Fw een liquidatie-akkoord als een akkoord waarbij de schuldenaar geheel of gedeeltelijk afstand doet van zijn boedel ten behoeve van zijn concurrente schuldeisers. De vraag die thans wordt besproken, is wat het doen van afstand van de boedel in art. 50 Fw rechtens betekent. Deze vraag is naar mijn weten tot op heden niet in de literatuur besproken. Voor het formuleren van een antwoord op die vraag biedt art. 50 Fw geen uitgesproken aanknopingspunten en ook de rechtspraak biedt weinig houvast. Het lijkt logisch om bij de beantwoording van voorgaande vraag aansluiting te zoeken bij de gerechtelijke vereffening, nu met een liquidatie-akkoord niets anders bedoeld is dan dat de gerechtelijke vereffening door een contractuele vereffening wordt vervangen. Bij een gerechtelijke vereffening behoeft echter niet te worden gesproken van boedelafstand door de schuldenaar, nu de failliete boedel die moet worden vereffend, aangemerkt wordt als een afgescheiden vermogen.1 De failliete boedel blijft rechtens het vermogen van de schuldenaar, maar door de faillietverklaring verliest de schuldenaar het beheer en de beschikking over de tot de failliete boedel behorende goederen. De curator wordt ingevolge art. 23 jo. art. 68 Fw belast met het beheer en de vereffening. Nadat de failliete boedel door de curator is vereffend, wordt het faillissement ex art. 193 Fw beëindigd en herkrijgt de schuldenaar het beheer en de beschikking over zijn vermogen.
De vraag wat boedelafstand in art. 50 Fw rechtens inhoudt, kan niet worden beantwoord zonder daarbij de vraag te betrekken of de afgestane boedel, net zoals de failliete boedel, als een afgescheiden vermogen kan worden aangemerkt. Een afgescheiden vermogen veronderstelt een vermogen dat aan een (rechts)persoon toebehoort en afgescheiden is van het overige vermogen van die (rechts)persoon. Daarnaast is voor het kunnen aannemen van een afgescheiden vermogen vereist dat een of meer vermogensbestanddelen van die (rechts)persoon voor een bepaald doel zijn verenigd. Dat doel is bij boedelafstand gelegen in de mogelijkheid van schuldeisers om verhaal op de afgescheiden goederen te nemen ter zake van hun vorderingen op de schuldenaar (rechthebbende).2 Het vermogen waarvan een schuldenaar in het kader van een liquidatie-akkoord afstand doet ten behoeve van zijn concurrente schuldeisers, voldoet aan de hiervoor gegeven omschrijving en kan derhalve als een afgescheiden vermogen worden aangemerkt. Het afgestane vermogen vormt immers een bijzonder verhaalsobject ter voldoening van de vorderingen van de concurrente schuldeisers. Hoewel de boedelafstand van art. 50 Fw voldoet aan de in de literatuur gangbare omschrijving van een afgescheiden vermogen, kan mijns inziens ook uit het stelsel van de wet afgeleid worden dat de afgestane boedel een afgescheiden vermogen is. Nu bij een gerechtelijke vereffening sprake is van een afgescheiden vermogen, zou ook op die grond een afgescheiden vermogen bij een contractuele vereffening aangenomen mogen worden. Uit de wetsgeschiedenis kan immers worden opgemaakt dat de wetgever met een contractuele vereffening niets anders heeft bedoeld dan dat de vereffening buiten faillissement plaatsvindt.3 Het voorgaande betekent dat ik meen dat de boedelafstand van art. 50 Fw van rechtswege een afgescheiden vermogen vormt.
Overdracht van de afgestane boedel
Met de constatering dat de afgestane boedel van de schuldenaar een afgescheiden vermogen vormt, is de vraag wat afstand doen van de boedel rechtens kan inhouden, gedeeltelijk beantwoord. Hiervoor is opgemerkt dat de afwikkeling van een liquidatie-akkoord wordt beheerst door de contractuele regeling tussen partijen bij het akkoord. De vraag rijst dan ook of boedelafstand niet alleen een afgescheiden vermogen kan inhouden, maar ook een goederenrechtelijke overdracht. Ik meen deze vraag bevestigend te kunnen beantwoorden. In het kader van een liquidatie-akkoord zijn partijen bij het akkoord in beginsel vrij in de wijze waarop de vereffening zal plaatsvinden. In een liquidatie-akkoord zou derhalve kunnen worden opgenomen dat de afgestane boedel wordt overgedragen aan een derde. Bedacht dient hierbij te worden dat de verkrijger goederen verkrijgt die belast zijn met een bijzondere bestemming. De overgedragen goederen dienen immers door hem te gelde worden gemaakt en de opbrengst dient te worden verdeeld onder de concurrente schuldeisers.4 Verderop in dit hoofdstuk zal worden ingegaan op een liquidatie-akkoord, waarbij het vermogen van de schuldenaar werd overgedragen aan een stichting.5
Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat op de vraag wat boedelafstand rechtens inhoudt geen eenduidig antwoord te geven is, aangezien het antwoord afhankelijk zal zijn van hetgeen partijen bij het akkoord hierover hebben afgesproken. Niettemin dringt de vraag zich op of de inhoud van een liquidatie-akkoord wel volledig beheerst kan worden door de contractsvrijheid. Is de schuldenaar in verband met het herkrijgen van zijn beschikkingsbevoegdheid gehouden in een liquidatie-akkoord een regeling te treffen, waardoor hij niet weer beschikkingsbevoegd wordt ten aanzien van de goederen in de afgestane boedel? Rechtspraak en literatuur bieden voor de beantwoording van genoemde vraag weinig tot geen houvast.6 Een eenduidig antwoord kan derhalve niet worden gegeven. Hoewel voornoemde verplichting niet met zo veel woorden in art. 50 Fw staat opgenomen, kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het niet de bedoeling is dat de schuldenaar het vrije beheer over zijn vermogen herkrijgt:
"Dergelijk akkoord heeft echter feitelijk geen ander gevolg dan vervanging der gerechtelijke vereffening door en namens de schuldeischers door eene contractuele: de belangen der schuldeischers bij de vereffening ondergaan dan ook geene wijziging en de schuldenaar treedt niet weder in het vrije beheer van zijn vermogen."7
Ik meen hierin te mogen lezen dat de schuldenaar ten aanzien van de goederen in de afgestane boedel niet weer beschikkingsbevoegd wordt c.q. dient te worden. Een andere lezing zou niet logisch en ook niet wenselijk zijn, nu de wetgever met het vervangen van de gerechtelijke vereffening door een contractuele vereffening geen wijziging van de belangen van de concurrente schuldeisers heeft gewild. Uit het voorgaande hoeft geen verplichting tot overdracht van de goederen in de afgestane boedel te volgen, maar in verband met de homologatiegrond van art. 153 lid 2 sub 2 Fw dient een voorziening te zijn getroffen voor de beschikkingsbevoegdheid van de schuldenaar over de goederen in de afgestane boedel.8
In deze paragraaf is verdedigd dat zowel uit het stelsel van de wet als uit de gangbare definitie van een afgescheiden vermogen kan worden opgemaakt dat het vermogen waar de schuldenaar op grond van een liquidatieakkoord afstand van heeft gedaan, aangemerkt mag worden als een afgescheiden vermogen. Het afgestane vermogen kan ook aan een derde worden overgedragen. De overgedragen goederen zijn dan echter belast met een bijzondere bestemming. In het geval van een overdracht hoeft het herkrijgen van de beschikkingsbevoegdheid van de schuldenaar geen problemen te geven, mits in het akkoord het moment van overdracht en het moment van het herkrijgen van de beschikkingsbevoegdheid goed op elkaar zijn afgestemd. Bij een afgescheiden vermogen dient wel een regeling te worden getroffen ter blokkering van de beschikkingsbevoegdheid van de schuldenaar ten aanzien van de afgestane goederen. Hierop zal in de volgende paragraaf worden ingegaan. In beide gevallen zal een vereffenaar dienen te worden benoemd, die het vermogen van de schuldenaar voor de concurrente schuldeisers te gelde zal maken. In de paragraaf hierna zal worden ingegaan op de positie van de vereffenaar bij een liquidatieakkoord.