Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/4.3.7:4.3.7 Tussenbalans
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/4.3.7
4.3.7 Tussenbalans
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS449774:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de paragrafen hiervoor is aan de hand van een aantal deelvragen de kernvraag onderzocht of een liquidatie-akkoord met zich brengt dat de beschikkingsbevoegdheid van een schuldenaar wordt geblokkeerd ten aanzien van de goederen in de afgestane boedel.
Tijdens faillissement wordt de boedel van de schuldenaar aangemerkt als een afgescheiden vermogen dat bestemd is als verhaalsobject voor de schuldeisers. Ten aanzien van dit vermogen is de schuldenaar ingevolge art. 23 Fw jo. art. 68 Fw niet langer beheers- en beschikkingsbevoegd, maar in zijn plaats de curator. Bij een liquidatie-akkoord, waarbij de gerechtelijke vereffening wordt vervangen door een contractuele vereffening, mag de afgestane boedel eveneens worden aangemerkt als een afgescheiden vermogen. Dit vermogen is bestemd als verhaalsobject voor de concurrente schuldeisers. De wetgever heeft met een liquidatie-akkoord immers niets anders bedoeld dan vervanging van de gerechtelijke vereffening door een contractuele vereffening.1 Het enige verschil is dan ook dat de verdeling van het afgescheiden vermogen niet plaatsvindt in faillissement, maar daarbuiten. Normaliter zou een schuldenaar na afloop van het faillissement zijn beheers- en beschikkingsbevoegdheid over zijn vermogen herkrijgen. Bij een liquidatie-akkoord is dat echter anders. Uit het stelsel van de wet en de parlementaire geschiedenis mag immers worden afgeleid dat de schuldenaar in dat geval niet langer beschikkingsbevoegd is over de goederen in het afgescheiden vermogen.2 In zijn plaats is de vereffenaar, net zoals de curator, beheers- en beschikkingsbevoegd over het afgescheiden vermogen. Door het hiervoor behandelde arrest van de Hoge Raad uit 1955 is het echter twijfelachtig of bij beëindiging van het faillissement door een liquidatie-akkoord de beschikkingsbevoegdheid van de schuldenaar wel van rechtswege wordt geblokkeerd.3 Om die reden heb ik mede aan de hand van de wetsgeschiedenis betoogd dat het dan in ieder geval wenselijk is dat een liquidatie-akkoord een regeling behelst die erin voorziet dat de schuldenaar niet weer beschikkingsbevoegd wordt over het door hem afgestane vermogen. Ik heb uiteengezet dat door een overdracht van het afgestane vermogen of door het verstrekken van een privatieve last aan de lasthebber de beschikkingsbevoegdheid van de schuldenaar kan worden geblokkeerd. Het zou zonder twijfel eenvoudiger zijn indien met zoveel woorden in de wet zou worden bepaald dat bij de beëindiging van een faillissement door een liquidatie-akkoord, de schuldenaar zijn beschikkingsbevoegdheid niet herkrijgt ten aanzien van de door hem afgestane boedel. Bij de herziening van de Faillissementswet zou art. 161 Fw (art. 276 Fw en art. 340 FW) in deze zin moeten worden aangepast.