Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/3.3.2.3
3.3.2.3 Kort geding
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657564:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor § 3.2.2.2.
Ibid.
HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5238, NJ 2006/55, m.nt. Ch. Gielen (Euromedica/Merck), r.o. 3.5.1. Deze uitspraak heeft gevolg gevonden in Hof ’s-Hertogenbosch 4 maart 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:602.
Het woord ‘onverminderd’ impliceert dat de rest van de overweging niet afdoet aan de werking van art. 3:296 BW. Dat is echter lastig te rijmen met (a) de stellige uitspraak dat die bepaling ‘in kort geding evenwel toepassing mist’ en (b) de met de tekst van dat artikel strijdige uitleg die volgt.
Zie bijvoorbeeld HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659, m.nt. D.W.F. Verkade, r.o. 3.4: “(…) Ook in kort geding gelden de grondbeginselen van een goede procesorde waartoe behoort dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtengang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden — in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen — controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Deze motiveringsplicht heeft uitdrukking gevonden in de art. 121 Grondwet (Gr.w), 20 Wet RO, 59 en 429k Rv; hoever zij gaat, hangt af van de omstandigheden van het geval.” Als de grondslag van de rechtsvordering genegeerd zou mogen worden lijkt toetsing in hoger beroep lastig.
Hugenholtz/Heemskerk 2021, p. 217, daar aangehaald: HR 29 januari 1943, ECLI:NL:HR:1943:AG1934, NJ 1943/198; HR 21 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AH8582, NJ 1979/194, m.nt. W.H. Heemskerk; HR 2 oktober 1998, ECLI:NL:1998:ZC2720, NJ 1999/682, m.nt. J.B.M. Vranken.
Zie Schut 1985, p. 145 e.v. Korthals Altes wijst volledige discretie bij de beoordeling in kort geding ook af, maar ziet de materie kennelijk toch anders: Korthals Altes 1985, p. 332.
HR 4 maart 1938, ECLI:NL:HR:1938:262, NJ 1938/948, m.nt. P. Scholten (AVRO/BUMA).
HR 22 maart 1957, ECLI:NL:HR:1957:33, NJ 1958/478 (Van 't Hooft/Coca Cola).
HR 1 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1899, NJ 1996/510, m.nt. D.W.F. Verkade (Intres/Walt Disney).
Sub 6.2 Conclusie A-G Verkade, ECLI:NL:PHR:2005:AS5238 bij HR 15 april 2005, NJ 2006/55, m.nt. Ch. Gielen (Euromedica/Merck).
HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1703, NJ 2011/373 (Thuiskopie/Heldt),r.o. 3.6.3; HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2788, NJ 2015/112, m.nt. P.B. Hugenholtz (Tirion/Cruijff), r.o. 3.8. Zie voor uitspraken van voor die datum bijv. HR 19 maart 2004, ECLI:N:HR:2004:AO0903, NJ 2007/585, m.nt. P. Vlas (Philips/Postech), r.o. 3.4.3.
HR 4 maart 1938, ECLI:NL:HR:1938:262, NJ 1938/948, m.nt. P. Scholten (AVRO/BUMA); HR 3 januari 1964, ECLI:NL:HR:1964:13, NJ 1964/445, m.nt. G.J. Scholten (Lexington), p. 1157. Zie hierover ook Conclusie A-G Huydecoper, ECLI:NL:PHR:2010:BM0140 bij HR 4 juni 2010, RvdW 2010/708.
HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659, m.nt. D.W.F. Verkade, r.o. 3.4.
Deurvorst 1994, p. 126 e.v. Zie hiervoor ook § 3.2.2.2.
Betoogd zou kunnen worden dat de vrijheid die de Hoge Raad de rechter hier geeft, volgt uit het feit dat in kort geding gevraagd wordt om ordemaatregelen waarbij men het niet zo nauw hoeft te nemen met wat het materiële recht eist. Zoals hiervoor betoogd is het daarbij goed om een onderscheid te maken tussen het bevel als procesordenende maatregel en het bevel als materieelrechtelijke remedie, waarvan de grondslag in artikel 3:296 BW moet worden gezocht.1
Ten aanzien van die eerste geldt vanzelfsprekend dat de voorzieningenrechter een grote beoordelingsruimte heeft. Zolang het doel is om gedurende de procedure de verhouding tussen partijen in goede banen te leiden is daar ook weinig op tegen. Zolang een bevel als doel heeft de procedure te ordenen en het zich in ieder geval beperkt tot de duur van die procedure, is lastig in te zien waarom de overeenstemmingseis nauwgezet gevolgd zou moeten worden. Maar voor zover het gaat om het bevel als voorlopige variant van een in bodemprocedure definitief te maken materieelrechtelijke remedie, lijkt enige voorzichtigheid geboden.
Opnieuw, een afwijzing op grond van een belangenafweging past goed bij het karakter van het kort geding.2 Als de voorzieningenrechter voorshands van oordeel is dat aan de vereisten van artikel 3:296 BW is voldaan, maar op basis van een belangenafweging tot de conclusie komt dat een verbod te ingrijpend zou zijn, dan past het bij de aard van het kort geding dat hij daarvan afziet. In Euromedica/Merck gaat de Hoge Raad echter nog een stapje verder, door te overwegen dat:
“[o]nverminderd het bepaalde in art. 3:296 BW, dat in kort geding evenwel toepassing mist, […] het, indien sprake is van een gedraging of een dreigende gedraging van de verwerende partij in strijd met hetgeen deze dient te doen of na te laten, in beginsel [is] voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om op grond van een afweging van de wederzijdse belangen te beslissen of hij desgevorderd een verbod of bevel zal opleggen en, indien hij daartoe overgaat, te bepalen hoe ver dat zich zal uitstrekken.”3 (onderstreping WThN).
Hiermee lijkt de Hoge Raad te impliceren dat (i) de grondslag van de vordering – wat artikel 3:296 BW voor het bevel toch is – genegeerd mag worden in kort geding, en (ii) dat het de rechter op grond van een belangenafweging vrij staat een verbod of bevel af te geven dat tot méér verplicht dan het materiële recht doet.4 Noch het een, noch het ander past in ons recht.
Ten aanzien van de eerste stelling lijkt voor zich te spreken dat de grondslag van de vordering in kort geding niet genegeerd kan worden.5 Natuurlijk is het zo dat met de regels van het bewijsrecht omwille van de snelheid van het geding soepeler mag worden omgesprongen,6 maar het is niet zo dat de kortgedingrechter een dorpsoudste is die het materiële recht naast zich neer mag leggen.7 A-G Verkade suggereert in zijn conclusie bij Euromedica/Merck dat deze stelling steun vindt in de uitspraken AVRO/BUMA,8 Van ’t Hooft/Coca Cola,9 Intres/Walt Disney,10en Procter & Gamble/Kimberly Clark.11Maar dat lijkt niet te kloppen. In AVRO/BUMA is niet meer beslist dan dat het bevel niet beperkt hoeft te zijn tot reeds gepleegde onrechtmatige handelingen en onder omstandigheden in redelijk algemene termen opgesteld mag worden, in Van ’t Hooft/Coca Cola is beslist dat de vraag of vrees voor herhaling bestaat, een feitelijk oordeel is dat in cassatie niet getoetst kan worden, en Procter & Gamble/Kimberly-Clark en Intres/Walt Disney bieden alleen steun voor de stelling dat de rechter van een verbod mag afzien op grond van een belangenafweging. Gelet op het feit dat de Hoge Raad zelf in latere uitspraken artikel 3:296 BW weer terloops van toepassing verklaart in kort geding, is niet ondenkbaar dat het hier om een slip of the pen gaat.12
Ook over de juistheid van de tweede stelling kan worden getwijfeld. Mocht de Hoge Raad toch bedoeld hebben dat het de voorzieningenrechter vrijstaat op grond van een belangenafweging tot een ruimer verbod te komen, dan lijkt dat onjuist te zijn. In het algemeen geldt natuurlijk dat een rechter onder omstandigheden op een algemene formulering van het bevel mag uitkomen, omdat een te precieze formulering het praktisch nut van het bevel ondermijnt,13 maar dat is niet hetzelfde als een veroordeling volledig te formuleren aan de hand van haar praktisch nut. Zolang het bevel een voorlopige variant van het bevel in een bodemprocedure is, moet zij wel naar die remedie worden gericht en een te vrijblijvende formulering draagt het risico in zich dat een bevel wordt afgegeven dat slecht strookt met de materieelrechtelijke verhouding tussen partijen.
Zolang het niet gaat om een bevel dat als ‘procesordenende voorziening’ moet worden aangemerkt, moet over het bevel in kort geding niet te makkelijk worden gedacht. Ten eerste geldt dat de afwegingen van de voorzieningenrechter in hoger beroep wel controleerbaar moeten blijven14 en dat wordt bij een belangenafweging moeilijker dan bij een materieelrechtelijke toets. Ten tweede spreekt de voorzieningenrechter weliswaar ordemaatregelen uit, maar de facto gaatvan het kort geding steeds meer een definitiverende werking uit: partijen schikken steeds vaker op basis van het voorlopig oordeel.15 Is het verbod bijvoorbeeld te ruim, dan zou worden geschikt op basis van een onvolledig en onvoldoende in het recht gegrond beeld. En dat raakt behalve aan de voorspelbaarheid vooral ook aan de materiële rechtszekerheid: de gedaagde kan er niet op rekenen dat hij zal krijgen wat het recht hem beloofde.