Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.4.6.1
7.4.6.1 Strafuitsluitingsgronden
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940502:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1957/58, p. 870-871. Zie voorts Koopman 1996, p. 138-139. De Blieck e.a. 2009, p. 297 leiden het bestaan van schulduitsluitingsgronden a contrario af uit HR 30 september 1931, B. 5047.
HR 22 september 2023, V-N 2023/42.12, r.o. 4.6, HR 13 november 2015, V-N 2015/59.5, BNB 2016/71 (inzake categorie II-triggers in de sleutel van de informatiebeschikking). Zie voor de uitspraak na verwijzing die volgde op het laatstgenoemde arrest Hof Amsterdam 26 april 2016, V-N 2016/35.1.1 en voor de afloop (in reprise) HR 10 februari 2017, V-N 2017/9.5, BNB 2017/92, r.o. 3.4.2-3.5.3. Zie voor een ander voorbeeld: Hof Arnhem-Leeuwarden 15 januari 2019, V-N 2019/30.7.
Hierbij moet het wel gaan om een pleitbaar standpunt ten aanzien van (het bestaan van) de geschonden verplichting als zodanig (de trigger voor de omkering), zie HR 27 mei 2022, V-N 2022/24.12, BNB 2022/108, r.o. 4.3.1.
Zie Koopman 1996, p. 139-140. Aldaar ook diverse verwijzingen (zie voetnoten 28 tot en met 33), onder meer naar jurisprudentie waarin een beroep op een schulduitsluitingsgrond faalde. Zie voorts Feteris 2007, p. 311 (noot 85) en (in het kader van de ‘overmacht’ uit art. 54 AWR) Den Boer, Koopman & Wattel 1999, p. 531.
De Hoge Raad lijkt de eerste categorie exoneratiegronden hiertoe te beperken, zie HR 26 juni 2015, V-N 2015/32.11, BNB 2015/179, r.o. 2.3.2.
Vgl. de aantekening van de redactie Vakstudie-Nieuws bij HR 25 april 2014, V-N 2014/35.8.
HR 27 maart 1996, BNB 1996/273, r.o. 3.2. Zie ook r.o. 7.17 van de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 21 december 2018, V-N 2019/7.10 (art. 81 Wet RO). Vgl. voorts HR 26 augustus 1998, BNB 1998/350.
HR 12 juli 2013, V-N 2013/34.20, BNB 2013/195, r.o. 3.4.3. In de literatuur was reeds steun te vinden voor deze opvatting (De Blieck e.a. 2009, p. 298 (noot 114)). Zie voor enkele voorbeelden uit de lagere rechtspraak, waarin dit uitgangspunt in het kader van de omkering wordt toegepast Rb Zeeland-West-Brabant 26 april 2019, V-N 2019/44.2.3 en Hof Amsterdam 14 november 2013, FutD 2013/2921.
Voor de uitwerking van dit leerstuk in de sfeer van de boete verwijs ik naar paragraaf 9.4.2.
In deze zin ook: Albert 2005, p. 170-171. Vgl. ook Hof Amsterdam 2 februari 2006, V-N 2006/29.8.
Zie HR 13 november 2015, V-N 2015/59.5, BNB 2016/71 en (in reprise) HR 10 februari 2017, V-N 2017/9.5, BNB 2017/92, waaruit zulks impliciet kan worden afgeleid, nu die procedure was gericht tegen de informatiebeschikking en de Hoge Raad zonder aarzeling over dat beroep oordeelde. Idem: HR 22 september 2023, V-N 2023/42.12, r.o. 4.6. In deze lijn ook: Hof Den Haag 4 mei 2016, V-N 2016/39.6. Zie ook hierna in paragraaf 7.4.6.2.2.
HR 10 februari 2017, V-N 2017/9.5, BNB 2017/92, r.o. 3.3.6.
De eerste categorie buitenwettelijke exoneratiegronden voor de toepassing van de sanctie van de omkering wordt gevormd door de strafuitsluitingsgronden.1 In concreto kunnen de volgende omstandigheden een succesvol beroep op een strafuitsluitingsgrond meebrengen: (ernstige) ziekte,2 tenietgaan van de administratie door bijvoorbeeld brand, innemen van een pleitbaar standpunt,3 strijd met (andere) wettelijke voorschriften, niet (meer) (kunnen) beschikken over stukken. Dit is geen limitatieve opsomming, maar een weergave van enkele bekende gevallen die in de wetsgeschiedenis en/of jurisprudentie zijn erkend.4 In feite gaat het steeds om situaties waarin er sprake is van het ontbreken van verwijtbaarheid door overmacht5 of afwezigheid van alle schuld (AVAS).6
Onder de categorie schulduitsluitingsgronden begrijp ik voorts de gevallen waarin – achteraf bezien – een onjuiste inschatting is gemaakt van het bestaan of de reikwijdte van de aangifte- of informatieverplichting. De Hoge Raad heeft in het kader van de boete vanwege het niet doen van aangifte (thans geregeld in art. 67a AWR) bepaald, dat indien een belastingplichtige zijn aangiftebiljet oningevuld terugzendt, maar daarbij uitdrukkelijk en gemotiveerd aangeeft dat en waarom hij van mening is niet belastingplichtig te zijn, hem niet kan worden verweten dat hij nalatig is gebleven in het doen van aangifte, ook niet indien zijn standpunt door de rechter onjuist wordt bevonden.7 Later heeft de Hoge Raad deze regel in het kader van de omkering van overeenkomstige toepassing verklaard (ten aanzien van het niet doen van de vereiste aangifte).8 Naar mijn mening is dat terecht, omdat de belastingplichtige in een dergelijk geval geen verwijt te maken valt: hij beroept zich in wezen op een pleitbaar standpunt.9 Mijns inziens geldt deze rechtsregel bovendien niet alleen voor de aangifteverplichting (categorie I-triggers), maar evenzeer voor andere informatieverplichtingen (categorie II-triggers). Te denken valt bijvoorbeeld aan het geval dat een belastingplichtige in redelijkheid tot het oordeel komt dat hij niet administratieplichtig is, maar dat achteraf wel blijkt te zijn.10
Een beroep op een strafuitsluitingsgrond kan reeds in de procedure tegen de informatiebeschikking worden gedaan.11 Als die informatiebeschikking uiteindelijk onherroepelijk wordt, kan een dergelijk beroep bovendien (of alsnog) aan de orde komen in de latere procedure tegen de aanslag.12