Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.2.1
5.2.1 Inleiding
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715540:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Buisman 2020, p. 70; Lestrade 2018, p. 157; Altena 2016, p. 126 en 159-160; De Hullu 2021, p. 92; Enschedé/Blom 2013, p. 26; Nan 2011, p. 159; Borgers 2008, p. 198; Groenewegen 2006, p. 10, 17 en 19; Claes 2004, p. 388-390; Groenhuijsen & Kristen 2001, p. 332, 341 en 345; Roxin 1997, p. 105 en 125-126; De Roos 1987, p. 73; ’t Hart 1983, p. 220-221; Krey 1983, p. 124; Schünemann 1978, p. 7; Garstka 1976, p. 103; Schreiber 1976, p. 214 en 220-221; Pompe 1945, p. 49; Opzoomer 1884, p. 221; Kamerstukken II 1990/91, 22008, nr. 2, p. 30 (Beleidsplan Zicht op wetgeving); HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7954 (Krulsla), r.o. 3.4; EHRM 21 oktober 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:1021JUD004275009 (Del Río Prada v. Spanje), par. 92-93; EHRM 11 november 1996, ECLI:CE:ECHR:1996:1115JUD001786291 (Cantoni v. Frankrijk), par. 31; EHRM 25 mei 1993, ECLI:CE:ECHR:1993:0525JUD001430788 (Kokkinakis v. Griekenland), par. 40; EHRM 26 april 1979, ECLI:CE:ECHR:1979:0426JUD000653874 (Sunday Times v. Verenigd Koninkrijk, No. 1), par. 49.
Borgers 2008, p. 194-195; De Doelder & Strijards 1979, p. 250.
Schneider noemt als voorbeelden van uitzonderingen cijfers en eigennamen (Schneider 1976, p. 224-225). Schünemann meent in vergelijkbare zin dat duidelijkheid een glijdende schaal is, waarop hij – in toenemende mate van onduidelijkheid – vier punten identificeert: cijfermatige (met meting vast te stellen) bestanddelen, descriptieve (van waarneming afhankelijke) bestanddelen, normatieve (van juridische classificatie afhankelijke) bestanddelen en open (van sociaal-culturele opvattingen afhankelijke) normen (Schünemann 1978, p. 29-30). Zie ook: Roxin 1997, p. 253 en 126; Schünemann 1978, p. 30-31; Schreiber 1976, p. 224.
Zie ook: Altena 2016, p. 126 en 131-132; Borgers 2008, p. 198; Roxin 1997, p. 125.
Smith 2003, p. 7, voetnoot 27. Vgl. Mevis 1998, p. 872; Glazebrook 1969, p. 35-36. Of de bepalingen daardoor ook in strijd komen met het lex certa-beginsel, laat Smith overigens in het midden: dat ligt er volgens hem aan of de bepaling zo vaag is dat niet duidelijk is welke gedragingen er wel en niet onder vallen.
Schünemann 1978, p. 29.
Altena 2016, p. 132.
Nan 2011, p. 252. Toch wordt er ook in de Duitse literatuur gewezen op een grote – en toenemende – hoeveelheid onduidelijke strafbepalingen (Nan 2011, p. 172; Roxin 1997, p. 125). Het Bundesverfassungsgericht blijkt ook maar zelden een strafbepaling in strijd met het lex certa-beginsel te verklaren (Roxin 1997, p. 125; Krey 1983, p. 124. Krey wijst naar: Bundesverfassungsgericht (Duitsland) 7 april 1964, BverfGE 17, 306, p. 314-315). Ook in België wordt slechts zeer zelden van die mogelijkheid gebruik gemaakt (De Nauw 2005, p. 758-766 en 770). Net als in Nederland lijken ook in Duitsland en België rechtsgeleerden het beginsel serieuzer te nemen dan de praktijk (De Nauw 2005, p. 773; Mulder 1987, p. 415). De Amerikaanse rechtspraak is volgens Mulder daarentegen veel strenger over vage strafbepalingen (Mulder 1987, p. 416). Hij vraagt zich daarop af of dat ook geldt voor de rechter in het Verenigd Koninkrijk (Mulder 1987, p. 417).
Loth 1999, p. 188-189. Loth spreekt van het ideaal van de perfecte rechtszekerheid. Deze strikte benadering wordt door sommige auteurs begrijpelijkerwijs als te dogmatisch beschouwd (zie bijvoorbeeld: Mulder 1987, p. 415). Mulder beticht auteurs die vanuit het oogpunt van het lex certa-beginsel kritiek hebben op oude strafbepalingen die inmiddels door de rechter zijn verduidelijkt (zoals ‘aanstotelijk voor de eerbaarheid’ in artikel 240 Sr) zelfs van ‘stokpaardjes berijden’ (Mulder 1987, p. 426).
Roxin 1997, p. 126; Schünemann 1978, p. 7.
Claes 2004, p. 391.
Schünemann 1978, p. 11.
De Jong 1989b, p. 178. Zie ook: Barendse-Hoornweg & Docter-Schamhardt 1989, p. 1.
Haveman 1998, p. 38; De Hullu 1993, p. 55; De Roos 1987, p. 74; Hulsman 1972, p. 92.
Groenhuijsen 1982, p. 283. Zie ook: Groenhuijsen 1987, p. 45-48.
Pelser 1995, p. 256. Mulder meent juist dat dat op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet mogelijk is (Mulder 1987, p. 426). Omdat het legaliteitsbeginsel in artikel 103 lid 2 van het Duitse Grundgesetz is opgenomen en Duitsland de mogelijkheid van constitutionele toetsing kent, staat daar overigens buiten kijf dat het Bundesverfassungsgericht onduidelijke wetgeving nietig kan verklaren (Krey 1983, p. 103-104. Zie ook artikel 93 lid 1 sub 4a van het Duitse Grundgesetz). Smith ziet in de grondwettelijke bescherming van het lex certa-beginsel in Duitsland bewijs dat onze oosterburen meer waarde aan dit beginsel hechten en stelt dat zij voorfasedelicten daarom ook specifieker formuleren (Smith 2011, p. 833).
In de literatuur en rechtspraak over het lex certa-beginsel wordt keer op keer benadrukt dat de betekenis van regels en woorden niet met absolute precisie kan worden vastgesteld en dat een zekere mate van onduidelijkheid onvermijdbaar is.1 Vrijwel iedere regel, hoe eenvoudig het behandelde onderwerp ook, is voor meerdere interpretaties vatbaar.2 En zeldzame uitzonderingen daargelaten hebben woorden ook nooit een vaststaande en scherp afgebakende betekenis.3 Ze zijn juist veranderlijk en meerduidig en kennen – naast een doorgaans relatief heldere kern – vage grenzen.4 Een zekere mate van vaagheid en onduidelijkheid is in het bijzonder ook inherent aan voorfasedelicten, aangezien deze zien op een in de toekomst nog te begaan feit, waarover haast per definitie nog niet alles vaststaat.5 Het lijkt dan ook op het eerste gezicht niet erg aantrekkelijk om al te lang stil te blijven staan bij de (on)duidelijkheid van dergelijke bepalingen; onduidelijkheid en taal gaan nu eenmaal hand in hand.6
Er moet vanuit liberaal oogpunt echter scherp voor worden gewaakt dat overheidsorganen zich niet al te gemakkelijk achter dergelijke, tamelijk defaitistisch aandoende, conclusies verschuilen. Uit het cruciale belang van het onderscheid tussen strafbaarheid en straffeloosheid volgt dat de wetgever niet te gemakkelijk weg mag komen met de – op zichzelf terechte – dooddoener dat volledige duidelijkheid niet haalbaar is en dat taal inherent onduidelijk is.7 Beter kan de wetgever nagaan hoe wetgeving wél duidelijker kan worden gemaakt, bijvoorbeeld door te kijken bij collega-wetgevers. In Duitsland wordt volgens Nan bijvoorbeeld veel beter voldaan aan de eis dat delictsomschrijvingen zo duidelijk mogelijk moeten worden geformuleerd.8 Dat volledige helderheid praktisch niet haalbaar is, doet bovendien niets af aan het principiële punt dat daar wel naar moet worden gestreefd.9 Het risico met het al te toeschietelijk aanvaarden van de onvermijdelijkheid van enige mate van vaagheid, is dat daarmee een rechtvaardiging wordt gevonden voor onduidelijke wetgeving.10 Dat volledige duidelijkheid onhaalbaar is, zegt immers niets over de vraag hoe duidelijk de strafbepaling wél kan (en moet) zijn.11 Sterker nog: juist vanwege deze praktische moeilijkheden is het lex certa-beginsel van cruciaal belang.12
Het duidelijk kunnen formuleren van een strafbaarstelling moet vanuit liberaal oogpunt worden gezien als een voorwaarde voor strafbaarstelling.13 Als een bepaling te vaag is en meer duidelijkheid niet haalbaar is, levert dat een indicatie op om van strafbaarstelling af te zien.14 Groenhuijsen bekritiseert vanuit dat perspectief ook terecht auteurs die betogen dat het lex certa-beginsel niet meer aansluit op de werkelijkheid en geen verhelderende functie heeft. Het legaliteitsbeginsel is geen verklarend, maar juist een beïnvloedend en beoordelend beginsel.15 Om die reden moet ook aan de vaststelling dat een beroep op het lex certa-beginsel voor de (Nederlandse en Europese) rechter maar weinig kansrijk lijkt, niet al te veel waarde worden gehecht. Hoopgevend is juist dat de Hoge Raad zich überhaupt uitspreekt over de duidelijkheid van wetgeving. Volgens Pelser is dat een indicatie dat de Hoge Raad het onverbindend verklaren van een strafbepaling wegens gebrekkige duidelijkheid in ieder geval voor mogelijk houdt.16 Vanuit liberaal-rechtsstatelijk oogpunt is duidelijkheid van groot belang en wel om twee redenen. Allereerst is duidelijkheid noodzakelijk om staatsmacht aan banden te leggen (§5.2.1.1) en daarnaast is duidelijkheid nodig gelet op het vereiste respect voor de autonomie van de burger (§5.2.1.2). De liberale benadering leidt daardoor tot een aantal consequenties voor wat betreft de wijzen waarop meer duidelijkheid kan worden verschaft (§5.2.1.3).
5.2.1.1 Staatsmachtinperking5.2.1.2 Autonomie en verwijtbaarheid5.2.1.3 Wijzen van verduidelijking5.2.1.4 Regel- en rechtenconceptie van legaliteit