Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/6.6.2.b
6.6.2.b Bestrijding van fraude en misbruik
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362870:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 26 februari 2013, zaak C-617/10, (Åkerberg Fransson), punt 25.
HvJ 8 september 2015, zaak C-105/14, (Taricco), punt 36 e.v.
Zie ook: HvJ 3 juli 2014, zaken C-129/13 en C-130/13, (Kamino), punt 51; HvJ 17 juli 2008, zaak C-132/06, (Commissie/Italië), punt 46; HvJ 21 februari 2006, zaak C-255/02, (Halifax), punt 71; HvJ 22 mei 2008, zaak C-162/07, (Ampliscientifica en Amplifin), punt 29.
In het belastingrecht lijkt de bestrijding van fraude en misbruik ten aanzien van de eigen middelen van de Europese Unie een beperking van het kenbaarmakingsbeginsel eerder acceptabel te maken.1 Ernstige fraude kunnen de financiële belangen van de Europese Unie schaden en die van de lidstaten. In de zaak Taricco herinnert het Hof van Justitie de lidstaten eraan dat zij niet alleen de algemene plicht hebben alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te treffen om te waarborgen dat de BTW op hun grondgebied volledig wordt geïnd, maar dat zij ook fraude moeten bestrijden.2 Bovendien moeten de lidstaten onwettige activiteiten, die de financiële belangen van de Europese Unie schaden, bestrijden met afschrikwekkende en doeltreffende maatregelen en moeten zij in het bijzonder ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen treffen als die zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad. Als het de eigen middelen van de Europese Unie betreft, lijkt het Hof van Justitie zeer ver te gaan om te garanderen dat de lidstaten zorgen dat die gelden daadwerkelijk de Europese Unie bereiken.3 Ook in het DWU is neergelegd dat van het horen kan worden afgezien als dit een onderzoek met het oog op de bestrijding van fraude zou belemmeren (artikel 22, zesde lid, aanhef en onder e, van het DWU). Het afzien van het horen geeft de belastingdienst het voordeel van de verrassing. Hierbij dient te worden onderkend dat de enkele aanwezigheid van fraude, misbruik of bedrog onvoldoende is voor het toekennen van een extra gewicht aan het met het kenbaarmakingsbeginsel concurrerende beginsel. Het toepassen van het kenbaarmakingsbeginsel moet de bestrijding van misbruik of fraude in gevaar kunnen brengen. Het Hof van Justitie was in de zaken Kadi I en Kadi II van oordeel dat in eerste instantie het kenbaarmakingsbeginsel mocht worden beperkt, omdat anders het bevriezen van de tegoeden niet meer mogelijk was, maar in de procedure erna over de verlenging van de maatregel mocht het kenbaarmakingsbeginsel niet meer worden beperkt. Een beperking diende op dat moment geen doel meer. Als het aannemelijk is dat het toepassen van het kenbaarmakingsbeginsel de bestrijding van fraude en misbruik belemmert dan heeft dit een verzwarend effect op het gewicht te voldoen aan het met het kenbaarmakingsbeginsel concurrerende beginsel.