Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/5.4.2.1b
5.4.2.1b Gebruik gevolgd door niet-gebruik
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS301963:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook HR 15 september 2006, nr. 41 984, V-N 2006/56.22, waarin wordt opgemerkt dat het niet-gebruik van een theaterzaal inherent is aan de wijze van exploiteren.
Tenzij het niet meer kunnen voldoen aan de 90%-eis onvoorzienbaar was; zie art. 6a, lid 8, Uitvoeringsbeschikking OB.
Zie o.a. D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed, diss. (FM 53), Deventer, 1990, blz. 318 t/m 319; Braun, t.a.p. onderdeel 14.3.2.5.
Dit standpunt lijkt aan te sluiten bij HR 15 september 2006, nr. 41 984, V-N 2006/56.22, waarin de Hoge Raad de uitspraak van het Hof ’s-Gravenhage sanctioneert. De uitspraak ging over de aftrek van voorbelasting die betrekking had op een theaterzaal die zowel belast als vrijgesteld werd verhuurd. Het Hof beslist: ‘Een redelijke uitleg van beide bepalingen (SB: art. 11, tweede lid, Uitvoeringsbeschikking OB en art. 17, vijfde lid, onderdeel c, Zesde richtlijn), gelet ook op de daarin voorkomende term ‘(werkelijk) gebruik’ brengt naar het oordeel van het hof mee – voor zover hier van belang – dat voor de toerekening van de op de grote theaterzaal betrekking hebbende voorbelasting enkel het feitelijke gebruik van de grote theaterzaal van belang is. Dat wil zeggen dat de omstandigheid dat de grote theaterzaal in het desbetreffende tijdvak niet elke dag en ook niet 24 uur per dag wordt gebruikt, geen enkele invloed heeft op de mate van aftrek. Daar komt bij dat hier, anders dan in een geval van leegstand, het niet-permanente gebruik van de grote theaterzaal inherent is aan de wijze van exploiteren van de zaal, namelijk door het telkens kortstondig verhuren van de zaal.’ In deze uitspraak speelde dus een rol dat leegstand inherent is aan het gebruik. Ik sluit niet uit dat de beslissing anders uitgevallen zou zijn in een casus waarin leegstand niet inherent is aan het gebruik. Het door het Hof ingenomen standpunt is ook in overeenstemming met het standpunt dat de staatssecretaris innam in het Besluit van 3 december 1992, nr. VB92/2255, V-N 1993/67.21 waarin hij zegt: ‘Als uitgangspunt bij het verrichten zowel van prestaties die aftrek met zich meebrengen als van prestaties zonder aftrekrecht (zoals het eigen gebruik) heeft te gelden dat perioden van leegstand dan wel niet-gebruik, geen invloed hebben op de mate van aftrek.’.
Het is goed om te beginnen met de vaststelling dat niet-gebruik normaal gesproken geen rol speelt en geen gevolgen heeft voor de eerder genoten aftrek. Als gedurende een periode van teruglopende staalproductie een hoogoven wordt stilgelegd zal dat geen gevolgen hebben voor de aftrek. De hoogoven is gebruikt voor belaste doeleinden, hij is bestemd om weer gebruikt te worden voor belaste doeleinden en hij blijft deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van de ondernemer. Zelfs als de hoogoven permanent wordt stilgelegd heeft dat mijns inziens geen gevolgen voor de aftrek. In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat niet-permanent gebruik inherent is aan de wijze van gebruik of exploitatie van de meeste goederen.1 Dit niet-permanente gebruik zal geen aanleiding kunnen zijn voor een herziening van de aftrek bij de belastingplichtige, noch in positieve noch in negatieve zin.
Niet-gebruik van panden (zoals kantoren en winkels), leegstand, is een heel eigen problematiek omdat het dan gaat om zaken die volgtijdig en gelijktijdig niet gebruikt kunnen worden en/of gebruikt kunnen worden voor belaste en vrijgestelde handelingen.
Hiervoor heb ik al besproken dat het niet of niet tijdig in gebruik nemen van een met optie voor belaste levering gekochte zaak of een met optie voor belaste verhuur gehuurde zaak tot gevolg kan hebben dat de optie vervalt. Er is geen bijzondere regeling voor het geval dat de gekochte of gehuurde zaak wel in gebruik wordt genomen maar na enige tijd niet meer gebruikt wordt. Er is niet in voorzien dat dit gevolgen voor de optie zou kunnen hebben anders dan dat wellicht gesteld zou kunnen worden dat een huurder vanaf het moment dat hij het goed niet meer gebruikt niet voldoet aan de 90%-eis, zodat de optie vervalt.2
De vraag is echter of niet-gebruik inderdaad betekent dat niet meer wordt voldaan aan de 90%-eis. Meer in het algemeen is de vraag of niet-gebruik van een eerder in gebruik genomen onroerende zaak tot herziening van de aftrek moet leiden. Een andere vraag is dan ook nog of het verschil uitmaakt dat de gehele zaak of slechts een gedeelte van de zaak niet wordt gebruikt. Stel een accountantskantoor betrekt een door haar nieuw gekocht pand. Alle voorbelasting wordt in aftrek gebracht. Na vijf jaar blijkt het pand te klein te zijn. Het accountantskantoor verhuist naar een groter pand en zet het oude pand te huur. Na een jaar leegstand slaagt men erin om het pand aan een bank te verhuren. Moet er herziening van de aftrek plaatsvinden voor het jaar leegstand? Uiteraard kan de omgekeerde situatie ook voorkomen: eerst vrijgesteld gebruik, dan leegstand en vervolgens belast gebruik. Als er sprake is van gemengd belast en vrijgesteld gebruik wordt het nog ingewikkelder. Stel dat van een kantoorpand van tien verdiepingen vijf verdiepingen belast en vijf verdiepingen vrijgesteld worden verhuurd. Na vijf jaar staat één van de vrijgesteld verhuurde verdiepingen een jaar leeg. Hoe zit het dan met herziening?
Over dit onderwerp is veel geschreven3 maar er is maar weinig jurisprudentie. Onder de oude tekst van art. 15 kon ieder geval volgehouden worden dat niet-gebruik recht moest geven op aftrek van voorbelasting omdat er immers geen sprake was van gebruik voor prestaties als bedoeld in art. 11, wet. Dat zou betekenen dat in het voorbeeld van het accountantskantoor in het jaar van leegstand de eerder in aftrek gebrachte belasting niet wordt herzien. In de omgekeerde situatie zou in het jaar van leegstand de op dat jaar betrekking hebbende, eerder niet in aftrek gebrachte voorbelasting alsnog teruggevraagd kunnen worden. In het voorbeeld van het kantoorpand met de tien verdiepingen zou gesteld kunnen worden dat de leegstand genegeerd moet worden.4 Omdat van de tien verdiepingen er negen verhuurd zijn waarvan vijf belast, zou dat betekenen dat met betrekking tot de leegstaande verdieping in de periode van leegstand 5/9 (= 55,6%) aftrekbaar is. Volgens het standpunt dat niet-gebruik niet kan leiden tot een beperking van de aftrek zou met betrekking tot de leegstaande verdieping in de periode van leegstand 6/10 (= 60%) aftrekbaar zijn. Dit laatste standpunt lijkt ook het meeste in lijn met HR 12 september 2008, nr. 43011, BNB 2009/188 (noot H.W.M. van Kesteren): zolang geen vrijgesteld gebruik is vast te stellen is de hoofdregel van art. 15, lid 1 (oud), van toepassing.