Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/10.3.5.4
10.3.5.4 Accessoire bevoegdheid bij meerdere verweerders
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS579968:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie HvJ EG 27 september 1988, zaak 189/87 (Kalfelis/Schrtider), Jur. 1988, p. 5565, NJ 1990, 425 m.nt. JCS.
HvJ EG 27 oktober 1998, zaak C-51/97 (Réunion européenne/Spliethoff s Bevrachtingskantoor), Jur. 1998, p. 1-6511, NJ 2000, 156 m.nt. PV, r.o. 50.
In het Freeport-arrest wil het HvJ EG het 'omgaan' overigens niet toegeven. Zie de opmerkelijke argumentatie in r.o. 43-47 van HvJ EG 11 oktober 1997, zaak C-98/06 (Freeport/011e Arnoldsson), Jur. 2007, p. 1-8319, NJ 2008, 80 m.nt. PV onder NJ 2008, 76.
HvJ EG 11 oktober 1997, zaak C-98/06 (Freeport/011e Arnoldsson), Jur. 2007, p. 1-8319, NJ 2008, 80 m.nt. PV onder NJ 2008, 76.
HvJ EG 11 oktober 1997, zaak C-98/06 (Freeport/011e Arnoldsson), Jur. 2007, p. 1-8319, NJ 2008, 80 m.nt. PV onder NJ 2008, 76, r.o. 54. Art. 6 sub 1 EEX-Vo is niet van toepassing in het kader van een geschil ter zake van inbreuk op een Europees octrooi waarbij onderscheiden, in verschillende verdragsluitende staten gevestigde vennootschappen zijn gedagvaard voor feiten die zij zouden hebben begaan op het grondgebied van een of meer van deze staten, zelfs niet wanneer deze vennootschappen tot eenzelfde concern behoren en op dezelfde of nagenoeg dezelfde wijze hebben gehandeld overeenkomstig een gemeenschappelijk beleidsplan dat is uitgegaan van slechts een van hen. HvJ EG 13 juli 2006, zaak C-539/03 (Roche Nederland/Primus), Jur. 2006, p. 1-6535, NJ 2008, 76 m.nt. PV.
Provimi v Aventis Animal Nutrition [2003] EWHC 961 (Comm), [2003] 2 All ER (Comm) 683, [2003] All ER (D) 59 (May).
Bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht zal het vaak voorkomen dat er meerdere verweerders zijn (zie ook § 7.8). Bij een kartelovereenkomst zijn minimaal twee partijen betrokken. Indien er meer dan één verweerder is kan een verweerder (die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat) op grond van artikel 6 sub 1 EEX-Vo ook voor het gerecht van de woonplaats van de andere verweerder worden opgeroepen, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.1
In Réunion européenne/Spliethoff s Bevrachtingskantoor oordeelde het HvJ EG nog dat twee in het kader van eenzelfde schadevergoedingsactie tegen verschillende verweerders gerichte vorderingen, waarvan de ene is gebaseerd op contractuele aansprakelijkheid en de andere op aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, niet als samenhangend kunnen worden aangemerkt.2 In Freeport is het HvJ EG echter 'omgegaan' en lijkt de regel uit Réunion européenne/Spliethoff s Bevrachtingskantoor een uitglijder te zijn geweest.3 Het feit dat tegen meerdere verweerders gerichte vorderingen een verschillende rechtsgrondslag hebben, staat volgens het HvJ EG in Freeport niet aan de toepassing van artikel 6 sub 1 EEX-Vo in de weg.4
Artikel 6 sub 1 EEX-Vo vindt op grond van het Freeport-arrest toepassing 'wanneer de tegen de verschillende verweerders gerichte vorderingen samenhangend zijn op het moment waarop zij worden ingesteld, dat wil zeggen wanneer een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te voorkomen dat bij afzonderlijke berechting onverenigbare beslissingen worden gegeven.5 Het HvJ EG heeft in Freeport geoordeeld dat voor toepassing van artikel 6 sub 1 EEX-VO niet hoeft vast te staan dat de vorderingen niet enkel zijn ingesteld om één van de verweerders te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft. Het kan dus voorkomen dat een in Nederland gevestigde onderneming die deelneemt aan een kartel wordt opgeroepen voor de Italiaanse rechter indien een andere deelnemer van het kartel in Italië is gevestigd. In theorie zou zich het geval kunnen voordoen dat een in Nederland gevestigde laedens die aansprakelijk is voor 99,9% van de kartelschade wordt opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een in Italië gevestigde laedens die slechts aansprakelijk is voor 0,1% van de kartelschade. De vraag is hoe het HvJ EG een dergelijke situatie zal beoordelen, nu het in Freeport geen misbruikregel heeft willen aanvaarden.6
In de Provimi-zaak heeft het Britse High Court zich bevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen tot verkrijging van schadevergoeding die zijn ingesteld tegen een aantal ondernemingen die door de Commissie schuldig zijn bevonden aan het maken van prijsafspraken in het beroemde vitaminekartel.7Provimi had vitaminen gekocht van diverse in Europa gevestigde kartelleden en besloot een schadeclaim in te dienen in het Verenigd Koninkrijk wegens de voordelen die het procederen in het Verenigd Koninkrijk met zich meebracht (inclusief disclosure, de hoogte van de toegekende schadevergoedingen in gecompliceerde zaken en de relatief snelle afhandeling van zaken).
Hoewel de meeste gedaagden geen zaken deden in het Verenigd Koninkrijk, oordeelde het High Court dat het voor een gezamenlijke behandeling van de vorderingen tegen de verschillende gedaagden voor de rechter in het Verenigd Koninkrijk voldoende was dat een dochteronderneming van een deelnemer aan het kartel was gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, zelfs ingeval er geen contractuele relatie bestond tussen de gelaedeerden en de Britse dochteronderneming. Het Britse High Court acht zich bevoegd om kennis te nemen van de schade die in alle lidstaten is geleden (en dus niet alleen voor de schade die in het Verenigd Koninkrijk is geleden zoals in de Shevill-zaak). Een eiser die zijn schade heeft geleden in meerdere lidstaten hoeft volgens de Provimi-uitspraak dus niet meerdere procedures aanhangig te maken in meerdere lidstaten om zijn gehele schade te kunnen verhalen. Opvallend is dat de economische eenheid-doctrine (de zelfstandige uitleg van het begrip onderneming in de zin van artikel 81 EG, zie § 2.3.3.2 sub a) in de uitspraak van het Britse High Court gevolgen heeft voor het internationaal bevoegdheidsrecht. Een buiten de forumstaat gevestigde moederonderneming kan samen met een binnen die staat gevestigde of handelende dochteronderneming aansprakelijk worden gesteld voor de schade die de schending van het mededingingsrecht heeft veroorzaakt.