Einde inhoudsopgave
Re-integratie zieke werknemer (MSR nr. 66) 2014/6.11
6.11 Een paar internationale vragen
mr.dr. G.A. Diebels, datum 24-09-2014
- Datum
24-09-2014
- Auteur
mr.dr. G.A. Diebels
- JCDI
JCDI:ADS580410:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Rechtswetenschap / Algemeen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Re-integratie
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2010/11, 29 427, nr.70, p.4.
Zie daarover M.J.A.C. Driessen, ‘ILO en WIA: haat en liefde?’, TRA 2011/73, p.25-27.
Vo. 883/2004 en 987/2009.
Zie ook § 2.7 over de inkomensvoorziening en § 5.17 e.v. over de geschiedenis daarvan.
Montebovi, p.172-173.
HvJ EG 3 juni 1992, nr.C-45/90, Jur. p.1-3423 (Paletta I), zie Montebovi, p.176-179.
Paletta I, waarbij in Paletta II wel de mogelijkheid open werd gehouden dat de werkgever bewijst dat er sprake is van misbruik of bedrog door de werknemer, waardoor die laatste geen beroep op bepalingen van gemeenschapsrecht toekomt. HvJ EG, 2 mei 1996, ECLI:NL:XX:1996:ZB6429, m.nt. F. Pennings in AB 1996, 432.
Eerder is al geconcludeerd dat dit afwijzing van de vordering had moeten zijn, § 6.6.5, Hof Arnhem- Leeuwarden meent ook dat het niet-ontvankelijkheid moet zijn, Hof Arnhem-Leeuwarden 22 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5831, r.o. 6.1.
Hof Den Bosch 18 februari 2014, JAR 2014/86.
Hof Arnhem-Leeuwarden 22 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5831, r.o. 6.6.
Art. 27 lid 4 en 87 lid 5 Vo. 987/2009. Montebovi concludeert dat over de grenzen re-integratie een ondergeschoven kindje is en dat de Vo. weinig duidelijk maakt wat concreet geldt, p.181-182.
Montebovi, p.182.
Het Nederlandse re-integratierecht roept een paar internationale vragen op die ik zal aanstippen. Uitgebreide beantwoording gaat dit onderzoek te buiten, maar ik wil die vragen ook niet helemaal onbesproken laten.
De eerste internationale vraag betreft de langdurige discussie tussen Nederland en de ILO of het Nederlandse stelsel van inkomensvoorziening bij arbeidsongeschiktheid wel overeenstemt met ILO-Verdrag nr. 121. In dat verdrag wordt een hoog niveau van inkomensbescherming verplicht gesteld, in elk geval bij arbeidsgerelateerde arbeidsongeschiktheid. Nederland zou dat niet garanderen. Bovendien zouden de re-integratieverplichtingen in de WIA niet stroken met de eisen uit artikel 22 ILO-Verdrag nr. 121. De Nederlandse regering meent dat de aandacht meer gericht moet zijn op activering en niet alleen op inkomensbescherming; het ILO-Verdrag zou in dat opzicht verouderd zijn.1 Driessen meent dat Nederland echter niet voldoet.2
Verder speelt het grensoverschrijdend karakter van aanspraken op sociale zekerheid binnen de EU een rol. De tweede internationale vraag is hoe om te gaan met ziekte in een grensoverschrijdende (EU-)situatie, voor wat betreft inkomen, controle en re-integratie. Als een Italiaanse werknemer bijvoorbeeld in dienst is van een Nederlandse werkgever, maar ziek wordt in Italië is niet meteen duidelijk of de werknemer aanspraak kan maken op loondoorbetaling bij ziekte. Op basis van verschillende EU-Verordeningen rond sociale zekerheid wordt namelijk bepaald welk stelsel van toepassing is.3 In Nederland is er sprake van wat wel ‘privatisering’ van de inkomensvoorziening bij ziekte wordt genoemd.4 Daaronder wordt verstaan de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de bestaanszekerheid van de overheid naar de private betrokken partijen. Het betreft geen volledige verschuiving want de overheid houdt wel een publiekrechtelijke basisbescherming in stand. Dit systeem wordt aangeduid met de term ‘arbeidsrechtelijke sociale zekerheid’.5 De belangrijke voorvraag is daarbij of ‘arbeidsrechtelijke sociale zekerheid’ ook onder het begrip ‘sociale zekerheid’ in de zin van die verordeningen valt. In het Palletta I-arrest oordeelde het HvJ EG van wel.6 Dat betekent dat door de toepasselijkheid van de EU-Verordeningen en de daarin opgenomen aanwijsregels ook in het buitenland recht bestaat op loondoorbetaling bij ziekte.
Controle op bestaan en einde van de arbeidsongeschiktheid mag vervolgens gebeuren door een arts ter plaatse.7 Hof Den Bosch moest zich buigen over de loonvordering van een in Duitsland woonachtige arbeidsongeschikte werkneemster van wie het loon was opgeschort omdat zij niet mee zou werken aan de controlevoorschriften, zoals een bezoek aan de bedrijfsarts in Nederland. In eerste aanleg was zij nietontvankelijk verklaard omdat zij niet het verplichte deskundigenoordeel van artikel 7:629a BW had overgelegd.8 In plaats daarvan had zij wel een aantal verklaringen van Duitse artsen en van de Krankenkasse in het geding gebracht. Volgens het Hof kon zij niet worden verplicht in Nederland naar de bedrijfsarts te gaan en mocht zij conform de Verordening volstaan met een bezoek aan Duitse artsen en de Krankenkasse. Voor behandeling van de vordering waren de Duitse verklaringen afdoende, ook al gaven die minder informatie dan een deskundigenoordeel zou hebben gegeven.9 Hof Arnhem-Leeuwarden volgt dit oordeel in een Italiaanse situatie en vond van belang dat de werkgever geen vergoeding aanbood van reis- en verblijfkosten die waren verbonden aan de controle bij de bedrijfsarts.10
De volgende stap is om te bekijken of de re-integratieverplichtingen dan ook in het buitenland moeten worden nageleefd. Er is wel aandacht voor re-integratie in EU-verordening 987/2009.11 In artikel 27 lid 4 staat dat de werkgever en/of het bevoegde orgaan de werknemer kan oproepen deel te nemen aan activiteiten om de terugkeer naar het arbeidsproces te bevorderen en te ondersteunen. Bij gebreke van een aanwijsregel is de Nederlandse wet- en regelgeving van toepassing.12 De werknemer moet dus meewerken en mag dat niet zonder deugdelijke grond weigeren. Met het begrip ‘deugdelijke grond’ zal uitsluitsel moeten worden gevonden of de werknemer de re-integratie-activiteiten in het werkland of in het woonland zal moeten verrichten. Mij lijken bijvoorbeeld van belang: de aard en te verwachten duur van de arbeidsongeschiktheid, de medisch verantwoorde mogelijkheid om te reizen, de voorhanden re-integratiemogelijkheden in het woonland, de kosten van dergelijke re-integratiemogelijkheden.
Ook in grensoverschrijdende situaties lijkt het er dus op dat bij verblijf in het buitenland het Nederlandse stelsel moet worden gevolgd, ook al is het systeem in andere EU-lidstaten waarschijnlijk niet ‘compatible’ met het Nederlandse.