Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/2.2.1
2.2.1 De Grondwet van 1887 – Tweede Wereldoorlog
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685488:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een uitvoerige beschrijving Van der Hoeven 1989, p. 81-123 en Di Bella 2012, p. 156-165. De beslissing van bestuursrechtelijke geschillen kon de wet blijkens de Grondwet opdragen ‘hetzij aan den gewonen regter, hetzij aan een college met administratieve regtspraak belast’.
Struycken 1910. Struycken hechtte veel belang aan de democratische legitimatie van bestuursorganen, die niet ondergeschikt mochten worden aan de rechter, bij wie die legitimatie ontbreekt. Het was kortom niet de bedoeling dat de rechter op de stoel van het bestuur zou gaan zitten. Schlössels 2019b, par. 2 wijst onder verwijzing naar Van der Hoeven op ‘de positieve bijdrage’ van Struycken ‘aan het denken over de rechtsbinding van het bestuur’ doordat Struycken als een van de eersten ‘de weg voor behoorlijkheidscontrole effende’. Zie hierna par. 2.3.
Di Bella 2012, p. 173-174.
Van Angeren 2017, p. 12.
In het economische bestuursrecht werd, met het oog op de kwaliteitsbewaking van producten, in 1941 bij het Organisatiebesluit Voedselvoorziening het Scheidsgerecht voor de voedselvoorziening ingesteld. Dat gerecht heeft bestaan van 1951 tot en met 1955. De taak van het Scheidsgerecht is in de jaren 50 van de 20e eeuw bij de opzet van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie overgenomen door het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Zie hierover Schlössels 2019b.
Schlössels, Schutgens & Zijlstra 2019, p. 28-29.
Administratieve rechtspraak werd pas een mogelijkheid met de invoering van een nieuw artikel 154 van de Grondwet van 1887.1 Over hoe die administratieve rechtspraak eruit zou moeten zien, bestond echter geen overeenstemming. Uiteindelijk heeft minister van Justitie Loeff daartoe in 1905 wetsontwerpen voorgelegd. Die voorstellen hielden onder andere in dat administratieve rechtspraak, gericht op handhaving van het objectieve recht, door de bestaande rechterlijke macht zou plaatsvinden. De voorstellen zijn – onder andere door scherpe kritiek van Struycken2 – nooit aangenomen. In 1931 kreeg de commissie-Koolen de opdracht onderzoek te doen naar de behoefte aan meer rechtsbescherming tegen overheidshandelen. Met de voorstellen van die commissie – ziende op algemene administratieve rechtspraak – heeft de wetgever evenmin iets gedaan.3
Op deelterreinen bestond inmiddels wel rechtsbescherming in de vorm van administratieve rechtspraak. De Beroepswet van 1902 creëerde de raden van beroep en de Centrale Raad van Beroep voor zaken op het gebied van sociale zekerheid. Voor ambtenarenzaken bestond sinds 1929 rechtsbescherming in de vorm van ambtenarengerechten met hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.4 In 1941 is het Scheidsgerecht voor de voedselvoorziening opgericht, de voorloper van het College van Beroep voor het bedrijfsleven.5
Doordat een algemeen stelsel van bestuursrechtspraak ontbrak, vulde de civiele rechter de gaten in de rechtsbescherming op.6 Afgezien daarvan was er de mogelijkheid van het hiervoor genoemde Kroonberoep als vorm van administratief beroep. Tot circa 1950 was de ambitie tot het bewerkstelligen van (algemene) administratieve rechtspraak dan ook gering.7