Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.3.2
3.3.2 Toekenning
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706249:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Boschma & Kuijers-Tollenaar 2013, p. 261; Willemars 2013, p. 427.
Vgl. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/91; Schoonbrood & Klein Bronsvoort 2017, p. 805; Wolf 2013, p. 144; Stokkermans 2013a, p. 259; Stokkermans 2013b, p. 428; Koster 2012, p. 212.
Vgl. Hamers 1996, p. 47-48. Wanneer de toekenning buiten de akte plaatsvindt, gelden er mijns inziens geen zwaardere eisen dan bij latere toekenning. Voldoende is dus dat de afspraak schriftelijk is vastgelegd, en dat de vennootschap de overgang erkent of dat (een kopie van) de overeenkomst aan de vennootschap wordt betekend.
Anders Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/425 die overeenkomstige toepassing afwijzen omdat de wet de mogelijkheid niet uitdrukkelijk bepaalt. Het wetsvoorstel modernisering nv-recht beoogt het verschil met de bv-regelen op dit punt weg te nemen, zie https://www.internetconsultatie.nl/nvenmv. Na de consultatie is besloten om de modernisering van het nv-recht uit te stellen, zie Kamerstukken II 2020/21, 35 628, nr. 3, p. 21 (MvT).
Visser betoogt dat het mogelijk is om een stil pandrecht te vestigen met toekenning van het stemrecht aan de pandhouder, zie Visser 2004/60 e.v. Zij acht het mogelijk dat de vennootschap de toekenning van het stemrecht aan de pandhouder goedkeurt, zonder dat sprake is van erkenning, zie Visser 2004/71.
Of de statuten een orgaan daarvoor aanwijzen is een kwestie van uitleg. Zie Nolet 1976, p. 368 die mijns inziens terecht uitgaat van een strikte benadering. Vgl. (vruchtgebruik) Bos 2005, p. 133.
De regeling voor vruchtgebruik wijkt in dit opzicht af. Bij vruchtgebruik is de uitsluiting van stemrechtovergang onmogelijk (art. 2:88/197 lid 3 BW). Zie voor de overwegingen op dit punt Kamerstukken II 1973/74, 12 897, nr. 3, p. 5 (MvT).
Vgl. Hamers 1996, p. 51 ten aanzien van de nv-regeling. De bv-regeling was in 1996 nog minder flexibel dan zij nu is, omdat bv-aandelen toentertijd beperkt overdraagbaar moesten zijn.
In gelijke zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/91.
Die vrijheid lijkt echter niet zover te gaan dat de vennootschap in haar statuten bepaalde categorieën van besluiten kan onttrekken aan stemrechttoekenning. In de parlementaire geschiedenis bij de regeling van stemrechttoekenning aan een vruchtgebruiker keert de minister zich uitdrukkelijk tegen een statutair verbod dat slechts ziet op bepaalde besluiten – bijvoorbeeld wanneer de vruchtgebruiker geen stemrecht heeft bij besluiten tot statutenwijziging of ontbinding van de vennootschap, zie Kamerstukken II 1973/74, 12 897, nr. 3, p. 5 (MvT).
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1609, r.o. 3.17 (De Hoge Dennen c.s./ING Bank). Vgl. (voorwaardelijk verpanding) HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1046 (Rabobank/Reuser).
87. In afwijking van de hoofdregel dat de pandgever het stemrecht behoudt, kan het stemrecht worden toegekend aan de pandhouder (art. 2:89/198 lid 3 BW) Het stemrecht dat dan wordt toebedeeld is mijns inziens hetzelfde stemrecht als de pandgever heeft. Vindt er stemrechttoekenning plaats bij de verpanding van stemrechtloze bv-aandelen, dan zal het dus gaan om het stemrecht in de soortvergadering van stemrechtloze aandeelhouders. In de literatuur wordt over deze kwestie ook anders gedacht. Zo wordt door sommigen betoogd dat er een expliciete wettelijke grondslag nodig is voor de geldigheid van de toekenning van het stemrecht ter soort- en aanduidingsvergadering. Deze grondslag zou volgens hen vooralsnog ontbreken.1 Ik kan mij hierin niet vinden. Artikel 2:89/189 lid 3 BW luidt immers dat de pandhouder ‘het stemrecht’ kan toekomen. Volgens mij is de term ‘stemrecht’ in de zin van dat artikel neutraal in die zin dat onverschillig is of het in een algemene of een soortvergadering wordt uitgeoefend. Daarnaast begrijp ik de parlementaire geschiedenis bij artikel 2:89/198 BW zo dat men heeft gewild het stemrecht van een beperkt gerechtigde in algemene zin te regelen, waarbij het stemrecht ter algemene vergadering als het normaaltype centraal stond.2
Artikel 2:89/198 lid 3 BW luidt dat het stemrecht aan de pandhouder toekomt indien dit ‘wordt bepaald’. Het ligt voor de hand dat daarmee is bedoeld dat de pandgever en de pandhouder dit kunnen bepalen.3 Het staat ze daarbij mijns inziens vrij om de stemrechttoekenning te beperken tot een deel van de aandelen en bijvoorbeeld van slechts de eerste vijftig verpande aandelen het stemrecht toe te kennen aan de pandhouder. De toekenning kan daarbij plaatsvinden op verschillende momenten. Bijvoorbeeld kan het plaatsvinden bij de vestiging van het pandrecht (art. 2:89/198 lid 3 BW). In dat geval kan de bepaling worden neergelegd in de pandakte.4 Wanneer de pandgever en de pandhouder pas later een regeling treffen, dan is daarvoor een schriftelijke overeenkomst tussen hen nodig. Bij bv-aandelen blijkt die mogelijkheid uit artikel 2:198 lid 3 BW. Voor nv-aandelen ontbreekt een gelijkluidende tekst, waardoor het onduidelijk is of ook na de verpanding van de aandelen het mogelijk is om het stemrecht toe te kennen aan de pandhouder. Mijns inziens kunnen de pandgever en pandhouder ook bij nv-aandelen na de verpanding daarvan zo’n regeling treffen, gelet op de gelijkenis tussen de twee situaties.5 Voor de daadwerkelijke overgang van het stemrecht is het dan nodig dat de overeenkomst wordt betekend aan de vennootschap op overeenkomstige wijze als bepaald in artikel 2:86a/196a BW of de stemrechtovergang door haar wordt erkend overeenkomstig artikel 2:86b/196b BW (art. 2:198 lid 3 BW) – zie daarover §2.9.1.
88. Wanneer de pandhouder geen persoon is aan wie de aandelen vrijelijk kunnen worden overgedragen, dan volgt uit de wet dat voor de toekenning van het stemrecht naast de toekenning door de pandgever, ook de goedkeuring nodig is van een daartoe bevoegd orgaan (art. 2:89/198 lid 3 BW).6 Omdat voor een geldige overdracht van bv-aandelen op grond van artikel 2:195 lid 1 BW is vereist dat de aandeelhouder de aandelen die hij wil vervreemden eerst aanbiedt aan zijn medeaandeelhouders, is bij bv-aandelen voor de geldigheid van de stemrechttoekenning door de pandgever dus in beginsel ook de goedkeuring van het daartoe bevoegde orgaan van de vennootschap nodig. Bij nv-aandelen is zo’n goedkeuring nodig als de statuten een blokkeringsregeling bevatten (art. 2:87 lid 2 BW). Tot goedkeuring van de toekenning van stemrecht aan de pandhouder is bevoegd een daartoe in de statuten aangewezen orgaan, of als de statuten geen orgaan aanwijzen, de algemene vergadering.7 Deze goedkeuring kan mijns inziens zowel vooraf als achteraf worden verleend. Vindt zij plaats voorafgaand aan het opmaken van de notariële pandakte, dan ligt het voor de hand om daarnaar te verwijzen en een bewijs van dit besluit als bijlage toe te voegen aan de pandakte.
Het staat de vennootschap ten slotte vrij om in haar statuten een van artikel 2:89/198 lid 3 BW afwijkende regeling te treffen.8 Zij kan in haar statuten de stemrechtovergang onmogelijk maken of juist vergemakkelijken.9 Bijvoorbeeld kunnen de statuten in afwijking van het wettelijke uitgangspunt bepalen dat er in het geheel geen goedkeuring is vereist voor de toekenning van het stemrecht aan een pandhouder aan wie de aandelen niet vrijelijk kunnen worden overgedragen.10 Ook kunnen de statuten zo worden vormgegeven dat zij slechts in de weg staan aan de overgang van het stemrecht in een soort- of aanduidingsvergadering.11 De wet laat de vennootschap immers uitdrukkelijk vrij om af te wijken van de wet.12 Kent de pandgever de pandhouder in strijd met de statuten toch het stemrecht toe, dan mist de toekenning het beoogde rechtsgevolg, omdat dan niet wordt voldaan aan de daarvoor geldende eisen.13 Zijn aan de in de wet en statuten gestelde voorwaarden voor overgang voldaan, maar onderwerpen de pandgever en pandhouder de overgang aan een voorwaarde, dan kan een latere statutaire beperking van stemovergang mijns inziens niet meer worden tegengeworpen aan de voorwaardelijk stemgerechtigd pandhouder.14
Wanneer aandelen worden verpand in een vennootschap met een ondernemingsraad, dan kan er sprake zijn van een ‘door de ondernemer voorgenomen besluit tot overdracht van de zeggenschap over de onderneming of een deel daarvan’ in de zin van de WOR. In dat geval moet de OR op grond van artikel 25 lid 1 onderdeel a WOR om advies worden gevraagd. In de literatuur baseren velen de adviesplicht van het besluit op de toekenning van stemrecht aan de pandhouder. Mijns inziens kan de verpanding van aandelen echter ook adviesplichtig zijn wanneer er geen sprake is van de stemrechttoekenning aan de pandhouder. Ik behandel deze kwestie daarom in het kader van de vestiging (§2.10.6).