Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/15.8.3
15.8.3 Verplichting tot vergoeding van de belasting
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232810:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Er zijn ook argumenten voor het vaststellen van de vordering aan de top van het tarief (dat is het nadeel dat F heeft) of juist aan de voet (anders kan gezegd worden dat F bevoordeeld wordt ten opzichte van G, omdat hij een grotere vergoeding krijgt bij een even grote toerekening). In het laatste geval wordt het beschreven effect ook beperkt, maar dit zal mijns inziens niet in alle gevallen c.q. voor alle heffingen te ondervangen zijn.
Omdat het in dit geval gaat om het volgende jaar. Voor belastingjaren verder in de toekomst wordt de schatting problematisch, omdat rekening gehouden moet worden met (i) fluctuaties in de omvang van het vermogen en (ii) de mogelijkheid dat de toerekening aan de erfgenaam in kwestie eindigt, bijvoorbeeld door diens overlijden.
Daarmee ontstaat een (beperkt) cumulerend effect, want het box 3-vermogen van F is nu groter, daarmee wordt zijn belastingschuld groter en dus zijn voorwaardelijke vordering, etc. Bij G nemen box 3-vermogen, belastingschuld en voorwaardelijke vordering juist iets af.
Bij gebreke aan een wettelijke regeling kan de financiering van verschuldigde belasting ook worden geregeld door het APV te verplichten de belasting die de erfgenamen moeten betalen te vergoeden, althans voor zover deze niet gedekt wordt door een daadwerkelijke uitkering. De erfgenamen hebben dan mijns inziens een vordering op het APV onder de opschortende voorwaarde dat belasting verschuldigd wordt (en geen uitkering wordt gedaan). Daarmee is sprake van een vermogensrecht dat in box 3 valt, met als complicatie de waardering van dit vermogensrecht gezien het voorwaardelijke karakter ervan, enigszins afhankelijk van welke heffing het betreft:
In geval van schenkbelasting kan naar mijn mening gezegd worden dat de vordering geen waarde heeft tot aan het moment van de fictieve verkrijging. De schenkbelasting hangt samen met een uitkering door het APV, zodat op ieder gegeven moment tot het daadwerkelijk besluiten tot de uitkering in principe geen concreet vooruitzicht op vervulling van de voorwaarde bestaat. De waarde van de voorwaardelijke vordering tendeert daarmee naar nihil.
De verschuldigdheid van erfbelasting hangt samen met het zijn van erfgenaam en (potentiële) begunstigde op het moment van overlijden van de inbrenger, waarbij de omvang van het dan toegerekend te krijgen vermogen vooraf nog niet vaststaat. Wel zal met het verstrijken van de tijd de fictieve erfrechtelijke verkrijging van de erfgenaam concreter worden. Dat impliceert dat op enig moment toch een zekere waarde aan de voorwaardelijke vordering toegekend moet worden.
Bij de inkomstenbelasting ligt dit genuanceerder, aangezien deze heffing in beginsel jaarlijks plaatsvindt vanaf het moment dat de toerekening aan een erfgenaam een aanvang vindt. De aard van het vermogen in het APV speelt hierbij wel een rol: in geval van box 3-vermogen is er een jaarlijks terugkerende heffing, waarvan gezien de samenhang met de omvang van het toe te rekenen vermogen ook vooraf een redelijke inschatting te maken is. Bij aanmerkelijkbelangaandelen ligt dit anders, omdat deze niet ieder jaar hoeven te leiden tot een winst.
Hoewel er dus omstandigheden zijn dat de vordering van de erfgenaam een waarde heeft van (praktisch) nihil, is dit niet onder alle omstandigheden het geval. Desalniettemin lijkt mij verdedigbaar dat geen rekening gehouden wordt met een voorwaardelijke aanspraak van de erfgenaam in box 3, aangezien tegenover deze aanspraak een even grote schuld van het APV staat. Van beide is de omvang moeilijk tot niet vast te stellen, maar wel staat vast dat beide tot het toe te rekenen vermogen behoren en daarmee is het effect grotendeels neutraal. Een eventuele discrepantie wordt veroorzaakt door de omstandigheid dat er meerdere erfgenamen kunnen zijn, die niet allen een relatief even grote belastingschuld hebben, terwijl zij wel ieder een evenredig deel van de corresponderende vordering toegerekend krijgen. Om een kort voorbeeld te geven: het vermogen van APV E wordt toegerekend aan erfgenamen F en G, ieder voor 50%. Het betreft box 3-vermogen en voor 2020 zal dit bij ieder van hen leiden tot een belastingschuld. F heeft echter reeds een groot privévermogen in box 3, zodat de gemiddelde1 belastingdruk op het hem toegerekende vermogen groter is dan die bij G. Als gevolg hiervan is F ter zake van het toegerekende vermogen in 2020 naar schatting € 30.000 aan belasting verschuldigd en G slechts € 20.000. Gezien de mate van concreetheid2 van deze belastingschulden waardeer ik de vorderingen tot vergoeding van de belasting eenvoudshalve nominaal. Daar tegenover staan schulden van het APV van in totaal € 50.000, waarvan 50% wordt toegerekend aan ieder van F en G. Bij F leidt dit per saldo dus tot een vermeerdering van het box 3-vermogen met € 5.000 en bij G leidt dit tot een vermindering met € 5.000.3 De vorderingen en schulden hebben geen invloed op het totaal in de heffing te betrekken bedrag. Door het verschil in het effectieve tarief komt het totale bedrag aan belasting wel in beperkte mate lager uit.
Een redelijke benadering lijkt mij daarom om geen rekening te houden met deze vorderingen en corresponderende schulden bij het bepalen van de box 3-heffing. Het waarderen van deze vorderingen en schulden stuit op praktische problemen, terwijl het eventuele effect op de belastingheffing in beginsel gering is. Bovendien komt het mij als reëel voor dat de fiscale gevolgen van de toerekening voor de erfgenamen weggenomen moeten kunnen worden door het APV, zonder dat dit verdere heffing tot gevolg heeft. De wet voorziet hier evenwel niet in, zodat dit strikt genomen dan geregeld zou moeten worden, bijvoorbeeld door deze aanspraak en de corresponderende (toegerekende) schuld uit te sluiten van het box 3-vermogen. Daarmee is ook deze benadering niet zonder bezwaren. Een voordeel voor de erfgenamen is dat het APV nu een concrete verplichting heeft, hetgeen het risico op niet nakoming door het APV beperkt.
Op het moment dat de belasting eenmaal verschuldigd is, wordt de vordering van de erfgenaam jegens het APV onvoorwaardelijk en ontstaat daarmee in ieder geval een in box 3 te belasten vermogensbestanddeel.