Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.7.5.3
9.7.5.3 Deugdopvoeding
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977431:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. A. Kinneging, Geografie van goed en kwaad. Filosofische essays, Utrecht: Het spectrum 2005, p. 381 e.v. en B. van Stokkom, ‘Sociale hoop in liberale tijden’, in: Becker (red.) 2009.
Hirsch Ballin 2019, p. 115.
Van der Ploeg 1995, p. 118-120.
J.W. Steutel, ‘Deugdzaamheid als opvoedingsdoel’, in: Idem (red.) 1984; vgl. F. Willems e.a., ‘Een duurzame benadering van burgerschapsvorming’, in: Hermans & Van der Zee (red.), 2010, p. 75-81 en Kinneging 2005, p. 127-128.
WRR 2003, p. 66.
Duynstee 1956, p. 60-61; vgl. Van Luyn sdb 2006, p. 152, Van Wieringen 2007, p. 29, Janse 2000 en Van Tongeren 2013.
Schuyt 2006 en ‘De waarden van de rechtsstaat’, in: Brugmans & Buijser 2004, p. 158; vgl. Tuck 2000.
I. Kant, Fundering voor de metafysica van de zeden, Amsterdam: Boom 1997, p. 48, 84-86 en Kinneging 2005, p. 81.
Aristoteles, Ethica Nicomachea, Budel: Damon 2005; R. te Velde, ‘De vraag naar de mens. Een inleidende schets van Thomas' denken over de mens’, in: Idem (red.) 2017, p. 11-15.
Schuyt 2006, p. 8, Brugmans 2005, p. 116, Kinneging 2005, p. 46-48 en P. Vermeer, ‘De dilemma's van de morele vorming’, Narthex 2015, 3, p. 57 e.v.
Vermeer 2015, p. 58-59.
Lijphart 1968, p. 27-30; vgl. C. Klaassen 1981, p. 169, W. Veugelers, ‘De docent als bemiddelaar van waarden en normen’, in: Vuisje (red.) 2001, p. 35-46, Roumen 2012 en A. Dijkstra e.a., ‘Sturing van burgerschapsvorming door de overheid? Tussen staatspedagogiek en persoonlijkheidspedagogiek’, PS 2019, p. 315-328.
Nijhuis 1996, p. 113 e.v.
D. Wijte, ‘Voorwoord’ en ‘Wij kijken positief naar de toekomst’, 55 Jaar NKS ‘Thuis in je club’, ’s-Hertogenbosch: NKS 2002, p. 3, 6; vgl. Leeferink & C. Klaassen 2000.
Vgl. Nijhuis 1996, p. 15; vgl. Kinneging & Slootweg (red.) 2014.
Nijhuis 1996, p. 30; Veugelers & De Kat 1998, p. 78-79, Valstar & Veugelers, ’Waarden leren: pedagogische opdracht van de lerarenopleiding’, Velon 1998, 2, p. 4 en Veugelers 2003.
De intellectuele deugdontwikkeling maakt leerlingen, volgens Krathwohl, tot zelfstandige, zelfkritische en creatief debatterende denkers. Een deugdopvoeding zorgt voor de continuïteit van de democratische rechtsstaat en dat heeft een werkbare democratie dus nodig.1 Hirsch Ballin acht enig besef van politieke deugden nodig en dit vraagt burgers en bestuurders die samen de levensprojecten realiseren.2 De overheden blijven in een overlegdemocratie afhankelijk van oordeelkundige burgers.3
Kleine deugden
De deugdpedagogische doelen richten zich op het stimuleren van de houdingen van vreedzaamheid, hulpvaardigheid, rechtvaardigheid en gemeenschapszin.4 In dit verband wijst de WRR op de noodzaak van de deugdvorming voor elk burgerschapstype.5 Het handelt dan niet alleen om de kardinale deugden: prudentia (verstandigheid), temperantia (maat), justitia (rechtvaardigheid) en fortitudo (moed), maar ook én vooral ‘om kleine deugden als geloofwaardigheid en empathie’.6 Ook Schuyt pleit in zijn Leidse oratie in 2006 voor de ontwikkeling van ‘vele, kleine, alledaagse deugden en geen Hobbesiaans eigen belang’7 of een ‘Kantiaanse morele wetgeving (het morele gebod) en de categorische imperatief’.8 Maar bovenal ziet Schuyt de stimulering van de Aristotelische - onheroïsche - deugden, zoals de afkeer van wreedheid en van het toebrengen van opzettelijk leed aan een ander, als illustratief.9 Hij ziet in het beoefenen van de kleine deugden, zoals tolerantie10, een waarborg voor een lang beschoren leven van de fundamentele waarden zoals vrijheid, gelijkheid en broederschap.11
In de vorige eeuw was de waardenoverdracht grotendeels zuilgebonden.12 Thans zijn overwegend de methoden van waardenpresentatie en -verheldering, gericht op het worden van een zelfbewust of zelfbepalend democratisch (staats)burger, in zwang.13 Mede aan de hand van de waardenpresentaties en -verhelderingen internaliseren leerlingen gedeelde democratische basiswaarden in hun sociale en politieke waardenpatroon.14 De middelenkeuze voor de democratische deugdopvoeding hangt af van de grondslag van de school en de docent voor de klas. De grondslag verdraagt geen andere dan technische overheidsvoorschriften in onze constitutionele traditie.15 Maar het is zeer wel mogelijk om binnen de grenzen die hieraan zijn gesteld door artikel 23 Gw en de vereisten van de democratische rechtsstaat onderwijs te geven, waarin een niet-fundamentalistische waardenoverdracht plaatsvindt.16 In hoofdstuk 11 ga ik verder in op de grenzen en reikwijdte van artikel 23 Gw en de rechtsstatelijke vereisten bij de codificatie van burgerschapsvorming.