Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.2.8.5:7.2.8.5 Verbetering door doel-middel benadering
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.2.8.5
7.2.8.5 Verbetering door doel-middel benadering
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS619049:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Schalken in zijn noot onder HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8411, NJ 2008/145.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zonder dat ik wil betogen dat de gekozen afbakening inhoudelijk onjuist is (er is veel te zeggen voor beperking van de controle door de strafrechter), moet wel worden vastgesteld dat het huidige, langs formele interpretatie van wettelijke begrippen opgetrokken systeem noopt tot het maken van allerlei uitzonderingen, zonder dat het waarom van die uitzonderingen steeds goed wordt gemotiveerd. Daaraan zou een consequente toepassing van de doelmiddel benadering een einde maken.
Zou de Hoge Raad hebben gekozen of alsnog kiezen voor een uitleg van het begrip vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in art. 359a Sv die los komt van de wettelijke definities, waarbij wordt uitgegaan van een ruim begrip vormverzuim en daarbinnen de omvang van de controle door de zittingsrechter op inhoudelijke, in plaats van op formele gronden wordt afgebakend, dan leidt dat tot een overzichtelijker en begrijpelijker systeem en inhoudelijk beter toetsbare en overtuigender rechtspraak. Overigens zou ook met een minder ingrijpende omslag in de rechtspraak een vergelijkbaar resultaat kunnen worden bereikt, te weten door in de gevallen waarin een bepaald soort vormfouten niet onder art. 359a Sv valt, op basis van een doel-middel benadering te motiveren waarom en in welke mate toch controle op die vormfouten door de zittingsrechter nodig wordt geoordeeld, dan wel waarom daarvan juist in het geheel kan worden afgezien. Duidelijker is dan wat van de zittingsrechter kan worden verwacht zodat een adequate verdeling van verantwoordelijkheden met andere ‘toezichthouders’ beter mogelijk is, procesvoering efficiënter kan zijn en motiveringen van rechterlijke beslissingen overtuigender. In dit opzicht beschouw ik het in paragraaf 7.5 besproken arrest over toetsing van opsporing met een buitenlands aspect als een goed voorbeeld van hoe het wel moet en het in paragraaf 8.4.4.3.2 onder (a) besproken HR 17 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9992, NJ 2014/91 m.nt. Schalken, als een gemiste kans.
Een van de instrumenten die de Hoge Raad hanteert om procespartijen binnen het gareel van het wettelijk strafrechtsysteem te houden, is terug te voeren op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Daarmee wordt enerzijds de proceseconomie gediend (geen wildgroei van rechtsmiddelen buiten het wettelijk kader), anderzijds de rechtszekerheid (rechterlijke beslissingen in het strafgeding dienen eens onaantastbaar te zijn).
Intussen kan uit de rechtspraak van de Hoge Raad worden afgeleid dat die vooral de proceseconomie op het oog heeft, maar niet bepaald de rechtszekerheid dient. De interpretatie die de Hoge Raad aan het gesloten stelsel van rechtsmiddelen geeft, is ‘wisselend, althans onduidelijk’ (Mevis in zijn noot onder HR 21 november 2006, NJ 2007, 233). De argumentatie van de Hoge Raad is zo duister dat de annotator die probeert de kern ervan te begrijpen, meteen daarna met vakantie kan.1