Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/3.3.1.2
3.3.1.2 Voorzichtigheid
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS351688:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
J.C.M. van Sonderen, Afschrijven of waarderen op lagere bedrijfswaarde?, Weekblad 1985/5692, blz. 981 en 982.
In gelijke zin R. Russo in zijn annotatie onder HR 5 april 1989, nr. 25 186 in FED 1989/ 365. In de visie van Russo is de grondslag voor de afwaardering van een bedrijfsmiddel op lagere bedrijfswaarde gelegen in het voorzichtigheidselement in goed koopmansgebruik. Uiting van de voorzichtigheid is de minimumwaarderingsregel te weten waarderen op kostprijs minus afschrijvingen of lagere bedrijfswaarde.
T.a.p., onderdeel 2.2.9.A., blz. 298.
Zo ook E. Bos, Afschrijven of waarderen op lagere bedrijfswaarde?, Opmerkingen naar aanleiding van het onder bovengenoemde titel verschenen artikel van mr. drs. J.C.M. van Sonderen in Weekblad 1985/5692, Weekblad 1986/5714, blz. 134.
In gelijke zin Caanen, ta.p., blz. 221-223.
In andere zin: HR 24 april 1996, nr. 31 143 met conclusie plv. P-G Van Soest, BNB 1996/279 met noot van G. Slot. Hierbij gaat het om een renteloze premie-obligatielening waarbij gedurende de looptijd maandelijks één obligatie wordt uitgeloot waarop een bedrag van f 1 000 000 wordt uitbetaald. Daar de emissie mislukt blijft belanghebbende, een bankinstelling, in het bezit van een aanzienlijk aantal obligaties. De vraag is vervolgens of deze obligaties beneden de beurskoers mogen worden gewaardeerd. Hof Amsterdam is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden goed koopmansgebruik uit een oogpunt van voorzichtigheid toelaat de obligaties enigszins beneden de beurskoers te waarderen. De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van het Hof als zijnde een oordeel van feitelijke aard. In het onderhavige arrest gaat het echter niet om gerealiseerde winst zodat het voorzichtigheidsbeginsel bij de waardering in het geheel geen rol behoort te spelen. Slot merkt terecht op dat het ten tonele voeren van de voorzichtigheid onduidelijkheid veroorzaakt omdat voorzichtigheid op zichzelf geen grenzen kent als het om de fiscale winst gaat, behalve de wens onverrekenbare verliezen te voorkomen.
Ook aan de voorzichtigheid zijn eisen verbonden:
er mag geen winst worden genomen alvorens het behalen ervan met redelijke zekerheid vaststaat;
er moet bij de wijze van winstbepaling rekening gehouden worden met de continuïteit van de onderneming.
Sommige auteurs hechten — in relatie tot het begrip bedrijfswaarde — meer belang aan de voorzichtigheid dan aan de realiteitszin. Zo ook Van Sonderen1 die voorzichtigheid ziet als grondslag voor de afwaardering van een activum op lagere bedrijfswaarde. Waardering tegen kostprijs zou volgens hem in een dergelijke situatie (waarbij dus sprake is van een negatieve stille reserve in een activum) een geflatteerd balansbeeld opleveren.2
En nog een aspect is bij het element voorzichtigheid niet uit het oog te verliezen. Mobach/Sillevis3 geven aan dat verliezen mogen worden afgetrokken (ook al zijn ze nog niet gerealiseerd) en winsten pas behoeven te worden verantwoord, nadat deze werkelijk zijn behaald. Zij stellen klip en klaar: 'De ondernemer behoeft zich niet rijker te rekenen dan hij is.'
Het bekendste voorbeeld van de voorzichtigheid is in hun visie de waardering van bedrijfsmiddelen op kostprijs minus afschrijvingen of lagere bedrijfswaarde.
Het belang van de voorzichtigheid dient niet te worden onderschat4 maar toch is voor dit kenmerk een bescheidener rol weggelegd dan menigeen denkt. Als er een waardedaling van een bedrijfsmiddel of ander activum is ingetreden, dan is het niet de voorzichtigheid, maar de realiteit die een aanpassing van de balanswaardering gebiedt56. Het kenmerk van de voorzichtigheid is dan ook meer te beschouwen als een verzachting van het realiteitsbeginsel.