Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.4.2.6:II.4.4.2.6 Ratio objectieve maatstaf: derdenwerking
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.4.2.6
II.4.4.2.6 Ratio objectieve maatstaf: derdenwerking
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624616:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Bartels & Van Mierlo 2013 (3-IV), nr. 230.
Zie Kaptein 2013, par. 4.1. Zie ook Rongen 2012, p. 980 die stelt dat het bepaaldheidsvereiste bij cessie en verpanding uitsluitend een identificatiefunctie heeft. Rongen ziet, anders dan Struycken 2007, p. 790, geen beschermingsfunctie in het bepaaldheidsvereiste.
Kaptein 2013, par. 4.1.
Kaptein 2013, par. 4.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De reden voor de objectieve maatstaf die geldt voor het bepaaldheidsvereiste in goederenrechtelijke sferen hangt samen met de absolute werking van goederenrechtelijke rechten. Anders dan het verbintenissenrecht dienen goederenrechtelijke verhoudingen ook door derden te worden gerespecteerd.1 Het goederenrecht betreft de verhouding tussen persoon en goed en is daarmee immers ook voor derden van belang. Derden dienen duidelijk te weten welk goed tot wiens vermogen behoort en aan de hand van de levering dient dan ook duidelijk te zijn of een goed al dan niet is overgedragen.2 Beoordeling aan de hand van objectieve maatstaven is zodoende uitgangspunt.
De objectieve maatstaf dient alzo de belangen van derden en meer in het algemeen gezegd de rechtszekerheid in het rechtsverkeer. Niettemin merkt Kaptein op dat ‘derden in ons causale stelsel vrijwel nooit met zekerheid kunnen afgaan op een vervreemding of bezwaring, omdat zij niet met zekerheid kunnen weten of er een rechtsgeldige titel aanwezig is.’3 Hij laat hiermee doorschemeren dat een optimale rechtszekerheid voor derden in ons goederenrechtelijk stelsel een illusie is.
Kaptein gaat in zijn artikel zelfs nog een stap verder en stelt de vraag of het vereiste van ‘objectieve gegevens’ nog wel geldt:
‘In zijn meest recente arrest over het bepaaldheidsvereiste voor vorderingen op naam rept de Hoge Raad met geen woord over deze beruchte overweging uit Wagemakers q.q./ Rabobank [te weten de ‘objectieve maatstaf’, toev. NB]. Het is daarom wenselijk dat de Hoge Raad in het hem eerstvolgende voorgelegde geschil expliciet aangeeft of de eis van ‘objectieve gegevens’ nog geldt en zo ja, wat nu exact onder de eis van ‘objectieve gegevens’ moet worden verstaan.’4
Zou er toch ook ruimte kunnen zijn voor subjectieve elementen bij de opvatting van het bepaaldheidsvereiste in goederenrechtelijke verhoudingen? Volgens Kaptein laat de rechtspraak dit thans nog in het midden. De gewezen arresten en literatuur lijken evenwel alle de ‘objectieve maatstaf’ te omarmen. Hetgeen voor de vraag of delegatie ten aanzien van goederenrechtelijke verhoudingen mogelijk is, allesbeslissend is: een objectieve maatstaf biedt geen ruimte voor subjectieve elementen en dus ook niet voor wilsdelegatie. Dat zou bijvoorbeeld betekenen dat er ten aanzien van de erfstelling, waarin het gaat om goederenrechtelijke verhoudingen, niet kan worden gedelegeerd.
In de volgende paragraaf wil ik evenwel wijzen op Kapteins zienswijze met betrekking tot de subjectieve uitleg van cessie- en pandakten en de gevolgen daarvan voor het bepaaldheidsvereiste.