Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/3.2.1
3.2.1 De bijzondere positie van de overheid in het rechtsverkeer
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685354:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Maanen & De Lange 2005, p. 2.
Mok & Tjittes 1995 en Huijgen 1991, p. 122-131.
Smits 1995, p. 320. Snijders 2011, p. 9 schrijft dat behartiging van het algemeen belang niet (reeds) typerend is voor de overheid in het privaatrecht. Opkomen voor het algemeen belang is immers niet voorbehouden aan de overheid. Typerend voor de overheid is volgens hem de vervulling van de publieke taak, het krachtens wettelijke opdracht belast zijn met de behartiging van het algemeen belang. Zie ook Snijders 2020, par. 3.
Van Maanen & De Lange 2005, p. 3. Indien sprake is van beleidsvrijheid, beoordeelt de burgerlijke rechter of de overheid in redelijkheid tot haar gedragswijze had kunnen komen. Zie over de toetsing door de civiele rechter van overheidsoptreden, Asser/Sieburgh 6-IV 2019/357-359.
Zo komt het voor dat een burger bij de civiele rechter een beroep doet op het bestuursrechtelijke vertrouwensbeginsel, waaraan de overheid zich via art. 3:14 BW ook in het civiele recht moet houden: zie bijv. Rb. Overijssel 8 december 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4682, rov. 4.14.
Een mooie illustratie daarvan vormt het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778, NJ 2022/149, AB 2022/11 (Didam), waarin de Hoge Raad overweegt dat op grond van het gelijkheidsbeginsel een overheidslichaam bij verkoop van een onroerende zaak, ruimte moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar deze onroerende zaak indien er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop daarvan of redelijkerwijs te verwachten is dat er meerdere gegadigden zullen zijn. Het overheidslichaam moet in dat geval met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte objectieve, toetsbare en redelijke criteria opstellen aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd.
Zie bijv. Rb. Den Haag 28 november 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:14139, rov. 4.24. De rechtbank kwam tot het oordeel dat de gemeente bij de totstandkoming van haar beleid onvoldoende de belangen van de erfpachters heeft meegewogen, en daarmee in strijd heeft gehandeld met het formele zorgvuldigheidsbeginsel.
Voor de interne rechtsvergelijking van dit onderzoek is het nodig kort uiteen te zetten in hoeverre voor de overheid bij toepassing van de in dit onderzoek relevante juridische civielrechtelijke kaders van wanprestatie en onrechtmatige daad speciale regels gelden.
De overheid heeft in het rechtsverkeer een bijzondere positie. De reden hiervoor is gelegen in haar bijzondere en exclusieve taken. Te denken valt aan het opstellen van publiekrechtelijke regelgeving en het toezicht op de uitvoering en handhaving daarvan.1 In sommige gevallen heeft de overheid bovendien een monopoliepositie, hetgeen ook bijzondere verplichtingen met zich kan brengen.2 Tevens is, meer principieel, te wijzen op de overheid als hoedster van het algemeen belang.3 Zij heeft bij de uitoefening van aan haar toekomende bevoegdheden beleidsvrijheid.4 Dit houdt echter niet in dat zij vrij kan handelen. Ook wanneer de overheid zich begeeft op privaatrechtelijk terrein, dient zij zich te houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zo moet een overheidslichaam bij het doen van een aanbod tot koop de geschreven en ongeschreven regels van publiekrecht – zoals het vertrouwensbeginsel5 – in acht nemen.6 De algemene beginselen van behoorlijk bestuur werken ook door in de mogelijkheden tot het doorvoeren van een beleidswijziging.7 Bovenstaande bijzonderheden kunnen zowel in een bestuursrechtelijke als civielrechtelijke rechtsgang aan de orde komen. Denk aan een overheid die zich beroept op een beleidswijziging als reden voor beschaamd vertrouwen of een aansprakelijkstelling van de overheid omdat zij onjuiste informatie heeft verstrekt over door haar zelf opgestelde regelgeving. Omdat voor overheidshandelen altijd publiekrechtelijke regels gelden, zijn niet alleen toezeggingen die zien op het uitoefenen van publiekrechtelijke bevoegdheden, maar ook overheidstoezeggingen die zien op privaatrechtelijke (rechts)handelingen relevant voor dit onderzoek.
Zoals uit hoofdstuk 8 en 9 zal blijken, speelt de bijzondere positie van de overheid in het rechtsverkeer bij alle vormen van vertrouwensschending van dit onderzoek een rol.