Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.4.2
4.4.2 Voorwaardelijke goederenrechtelijke overeenkomst
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS399689:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Rank-Berenschot 1992, p. 229.
Zo ook Hartkamp 2005, p. 111.
In die richting ook Peter 2007, p. 139.
Zo ook M.M.G.B. van Drunen, ‘Faillissement bij levering onder opschortende voorwaarde’, WPNR 2013 (6959), p. 54, die de situatie schetst van een terstond voltooide leveringshandeling, maar een desalniettemin voorwaardelijke levering, zodat de voorwaardelijkheid wel betrekking moet hebben op de op overdracht gerichte wilsovereenstemming, die onderdeel uitmaakt van de levering. Zijn betoog is echter in zoverre onvolledig, omdat hij daaraan niet de conclusie verbindt dat terstond ook een overdracht onder dezelfde voorwaarde tot stand komt. Deze doorwerking wordt eveneens over het hoofd gezien door Abendroth 2013, p. 320 die meent dat de voorwaardelijkheid van de levering belet dat een overdracht tot stand komt.
Men zou zich kunnen afvragen wat rechtens is indien het eigendomsvoorbehoud bij de levering eenzijdig wordt afgedwongen door de verkoper, waarvoor in het Duitse en Oostenrijkse recht veel aandacht bestaat. Indien men aanvaardt dat een overdracht onder eigendomsvoorbehoud niet enkel kan worden bewerkstelligd door middel van een aan de titel verbonden voorwaarde, maar tevens door een aan de op overdracht gerichte wilsovereenstemming verbonden voorwaarde, is denkbaar dat het eigendomsvoorbehoud niet is opgenomen in de koopovereenkomst maar de verkoper bij de levering alsnog verklaart dat hij enkel bereid is tot overdracht onder voorwaarde van voldoening van de tegenprestatie. Daarbij verdient opmerking dat niet gauw situaties voorstelbaar zijn waarin het in ontvangst nemen van de zaak door de koper niet tevens moet worden begrepen als het (alsnog) aanvaarden van het eigendomsvoorbehoud, waardoor de koopovereenkomst wordt gewijzigd. Neemt men echter aan dat hierin niet zonder meer een wijziging van de koopovereenkomst ligt besloten, bijvoorbeeld omdat de koper de zaak onder protest in ontvangst neemt, moet in ieder geval worden aangenomen dat wel degelijk een voorwaardelijke goederenrechtelijke overeenkomst en dus voorwaardelijke overdracht tot stand komt. Ogenschijnlijk anders: S.E. Bartels, ‘De zakelijke overeenkomst in een causaal stelsel van overdracht: ook een Oostenrijks debat’, in: J.M. van Buren- Dee, M.C. van Gestel & E.H. Hondius (red.), Privaatrecht en Gros, Antwerpen: Intersentia 1998, p. 101. Aangezien de wil van de verkoper op voorwaardelijke overdracht is gericht en de wil van de koper op onvoorwaardelijke overdracht, zou men kunnen zeggen dat bij gebreke van wilsovereenstemming gÉÉn goederenrechtelijke overeenkomst en dus überhaupt geen overdracht tot stand komt. Wanneer men echter bedenkt dat een voorwaardelijke overdracht voor de koper gunstiger is omdat hij hierdoor een beschermde rechtspositie inneemt, dan moet in het algemeen worden aangenomen dat de koper liever een overdracht onder voorwaarde realiseert dan in het geheel geen overdracht. Zie Lieb 1990, p. 322, Reinicke & Tiedtke 2009, p. 483, MünchKomm-BGB/Ganter 2013, § 47 InsO, Rn. 61 en Bamberger & Roth/Kindl 2015, § 449 BGB, Rn. 15. Naar Oostenrijks recht sorteert een bij de levering afgedwongen eigendomsvoorbehoud geen effect, omdat de goederenrechtelijke overeenkomst (tegenwoordig) geacht wordt reeds te worden gesloten bij de totstandkoming van de koopovereenkomst. Zie o.m. Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 370-376, Bollenberger 1995a, p. 61 e.v. en Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 30 en uit de rechtspraak OGH 18 juni 1986, zaaknr. 3Ob43/86, OGH 11 februari 1997, zaaknr. 5Ob18/97a en OGH 25 februari 2004, zaaknr. 3Ob66/03g. Tot slot verdient opmerking dat een dergelijk eenzijdig afgedwongen eigendomsvoorbehoud niet zonder meer een tekortkoming in de nakoming door de verkoper oplevert. Overeenkomstig art. 7:26 lid 2 BW is de verkoper namelijk pas gehouden zijn verplichting tot eigendomsverschaffing en (af)- levering na te komen zodra de koper de koopprijs betaalt. Slechts in het geval dat partijen in afwijking van die regel zijn overeengekomen dat de verkoper reeds voor dat moment verplicht is tot onvoorwaardelijke overdracht, levert een eenzijdig afgedwongen eigendomsvoorbehoud een tekortkoming in de nakoming op. Zie ook hoofdstuk 5, paragraaf 5.5.
Indien men daarentegen aanneemt dat de levering naast de leveringshandeling ook bestaat uit de op overdracht gerichte wilsovereenstemming van partijen (de goederenrechtelijke overeenkomst) dan is de constructie van het eigendomsvoorbehoud als een voorwaardelijke levering niet ondenkbaar. Noodzakelijk is daarvoor dat men aanvaardt dat de machtsverschaffing als onvoorwaardelijke leveringshandeling correspondeert met een voorwaardelijke goederenrechtelijke overeenkomst.1 Weliswaar wijst niets erop dat de wetgever een dergelijke constructie voor ogen stond – zoals hiervoor is uiteengezet lijkt de wetgever uit te gaan van een voorwaardelijke verbintenis tot overdracht – maar dat neemt niet weg dat een dergelijke constructie voor mogelijk moet worden gehouden.
Wanneer men namelijk bedenkt dat de goederenrechtelijke overeenkomst in zekere zin een duplicering van de titeleis inhoudt, zij het dat de goederenrechtelijke overeenkomst tot stand komt op het moment van het verrichten van de leveringshandeling, zou dezelfde systematiek moeten gelden voor de voorwaardelijke goederenrechtelijke overeenkomst als voor de voorwaardelijke titel.2 Indien namelijk, zoals hier, wordt aanvaard dat de voorwaardelijkheid van de titel niet belet dat reeds terstond een overdracht tot stand wordt gebracht, maar juist tot gevolg heeft dat de aan de titel verbonden voorwaarde doorwerkt in de overdracht, in die zin dat een overdracht onder opschortende voorwaarde wordt gerealiseerd, valt niet goed in te zien waarom een dergelijk effect niet ook door middel van een voorwaardelijke levering in de zin van een op overdracht gerichte wilsovereenstemming onder opschortende voorwaarde zou kunnen worden bereikt.
In een zodanige systematiek werkt de aan de goederenrechtelijke overeenkomst verbonden voorwaarde door in de overdracht, als gevolg waarvan terstond een overdracht onder opschortende voorwaarde wordt gerealiseerd.3 Aldus resulteert een levering onder opschortende voorwaarde in een overdracht onder dezelfde voorwaarde. De hiervoor genoemde bezwaren tegen de voorwaardelijke leveringshandeling gelden niet voor de voorwaardelijke goederenrechtelijke overeenkomst, omdat de voorwaardelijkheid van de goederenrechtelijke overeenkomst niet belet dat reeds aan de vereisten voor overdracht wordt voldaan, maar integendeel tot gevolg heeft dat de voorwaarde doorwerkt in de terstond gerealiseerde overdracht. Anders dan bij een voorwaardelijke leveringshandeling het geval is, kan bij een voorwaardelijk goederenrechtelijke overeenkomst namelijk wel een scheiding worden aangebracht tussen de totstandkoming van de levering en het daaruit voortvloeiende rechtsgevolg. Ook artikel 23 Fw en artikel 35 Fw staan hieraan niet in de weg, omdat de overdracht terstond (zij het onder opschortende voorwaarde) tot stand komt. Op dat moment is voldaan aan het vereiste van beschikkingsbevoegdheid, terwijl de leveringshandeling – waarop artikel 35 Fw betrekking heeft – terstond is voltooid,4 omdat zij onvoorwaardelijk wordt verricht overeenkomstig artikel 3:91 BW.5