Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/6.6.3.a
6.6.3.a Artikel 22, zesde lid, tweede alinea, aanhef en onder a, van het DWU
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362869:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wolkers en Mennes 2016, onder ‘Hoorrecht voor het nemen van ongunstige beschikking’.
Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie, onder 11.
HvJ 26 september 2013, zaak C-418/11, (Texdata Software); HvJ 20 december 2017, zaak C-276/16, (Prequ’Italia).
HvJ 20 december 2017, zaak C-276/16, (Prequ’Italia) en HvJ 26 september 2013, zaak C-418/11, (Texdata Software).
Artikel 22, eerste lid, tweede alinea, aanhef en onder a, van het DWU regelt dat het kenbaarmakingsbeginsel kan worden beperkt als sprake is van BTI- of BOI-beschikkingen. Vraagtekens worden in de literatuur gezet bij deze keuze van de Uniewetgever waarbij de vraag wordt gesteld of de uitzondering gelegen is in het feit dat geen sprake is van een bezwarend besluit.1 Ik heb reeds besproken dat wel sprake is van bezwarende besluiten (paragraaf 5.2). Uitgaande van bezwarende besluiten kan het beperken van het kenbaarmakingsbeginsel alleen in stand blijven als sprake is van een gerechtvaardigde beperking. Aangezien er geen veiligheidsrisico’s zijn bij het aanvragen van een BTI- of BOI-beschikking moet volgens verordening 2015/2446 de beperking gelegen zijn in het evenwicht tussen doeltreffend optreden van de douaneautoriteiten en de eerbiediging van het kenbaarmakingsbeginsel.2
Duidelijk is dat artikel 22, zesde lid, alinea twee, aanhef en onder a, van het DWU geen individuele toets inhoudt, maar dat het kenbaarmakingsbeginsel ten aanzien van alle aanvragen voor BTI- en BOI-beschikkingen wordt beperkt. Deze categorale uitsluiting van een groep besluiten lijkt zich niet te verhouden met het vereiste dat een beperking de wezenlijke inhoud van het kenbaarmakingsbeginsel moet eerbiedigen (paragraaf 6.3). Bovendien haalt de Uniewetgever een efficiëntieargument aan. Bij het bespreken van het beperken van beginselen op grond van artikel 52 van het Handvest is de conclusie dat efficiëntie op zichzelf een belang is dat niet snel de balans richting een gerechtvaardigde beperking van het kenbaarmakingsbeginsel doet omslaan (paragraaf 6.7.1.d). Pauwels overweegt dat zeer terughoudend met het kostenargument moet worden omgegaan. Mijns inziens is dat voor efficiëntie niet anders (paragraaf 6.7.2.e). Het argument dat veel belanghebbenden geen bezwaar zullen hebben tegen het besluit gaat mijns inziens voor aanvragers, die een van hun aanvraag afwijkend nadelig besluit krijgen, niet zomaar op.
Er zijn echter situaties waarbij het Hof van Justitie een categorale uitsluiting wel goedkeurt en een categorale beperking, omkleed met bepaalde waarborgen, ziet als een gerechtvaardigde beperking van het kenbaarmakingsbeginsel. Dat blijkt uit de zaak Texdata Software (paragraaf 6.6.2.g).3 In de zaak Texdata Software werd een categorale uitsluiting van het kenbaarmakingsbeginsel bij het opleggen van dwangsommen geaccepteerd, omdat als hiertegen bezwaar werd aangetekend het dwangbevel buiten werking werd gesteld en alsnog een procedure werd gevoerd met een mogelijkheid een standpunt naar behoren en effectief kenbaar te mogen maken over de elementen waarop het bestuursorgaan een besluit wil baseren in de voornemenfase. Hierdoor werden de rechtsgevolgen van het bezwarende besluit buitenspel gezet. De procedure bood voldoende rechtsbescherming aan de belanghebbende. Ten aanzien van het aanvragen van een BTI- of BOI-beschikking kent het DWU geen op Texdata Software gelijkend systeem.4 Het arrest Texdata Software geeft geen verklaring voor de in het DWU aangebrachte beperking van het kenbaarmakingsbeginsel. Blijkbaar is hier sprake van een andere situatie die ook een categorale beperking van het kenbaarmakingsbeginsel bij een beperkt aantal voorgenomen fiscale besluiten mogelijk maakt.
Wat maakt dat de Uniewetgever ten aanzien van deze categorie zaken het kenbaarmakingsbeginsel beperkt? Ik denk dat een verklaring kan worden gevonden in de aard van een BTI- of BOI-beschikking. Een van de aanvraag afwijkende bezwarende BTI- of BOI-beschikking raakt de aanvrager rechtstreeks en individueel en de aanvrager wordt hierdoor benadeeld. De aanvrager is namelijk verplicht gebruik te maken van de BTI- of BOI-beschikking. Echter de werkelijke benadeling wordt pas gevoeld op het moment dat de belanghebbende de BTI- of BOI-beschikking moet gebruiken en de belanghebbende een hoger bedrag aan douanerechten moet betalen dan de aanvrager correct acht. Nadat de douane mededeling heeft gedaan van het bedrag aan douanerechten door toezending van een op een aanslagbiljet vermelde uitnodiging tot betaling, moet de douane de belanghebbende wel de gelegenheid geven een standpunt naar behoren en effectief kenbaar te mogen maken voordat de douane een bezwarend besluit neemt (artikelen 22 en 29 van het DWU). In die procedure kan de belanghebbende het tarief of de oorsprong aan de orde stellen. Het beperken van het horen bij het aanvragen van een BTI- of BOI-beschikking voorkomt dat de belanghebbende dubbele procedures kan/moet gaan voeren over hetzelfde geschil. Zodra het nadeel zich daadwerkelijk voordoet, moet het bestuursorgaan de benadeelde de gelegenheid geven zich uit te laten over de elementen waarop een bestuursorgaan een besluit wil baseren. Deze beperking in het DWU laat zien dat een categorale beperking van het kenbaarmakingsbeginsel bij een gering aantal fiscale besluiten mogelijk is als een besluit waarbij het kenbaarmakingsbeginsel wordt beperkt, wordt gevolgd door een later besluit, waarbij het rechtsgevolg van het eerste besluit pas feitelijk merkbaar is en, ten aanzien van het latere besluit een procedure wordt gevolgd die voldoet aan de vereisten die het kenbaarmakingsbeginsel stelt.