Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.2.2.2
4.3.2.2.2 Opeisbaarheid van de vordering
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS495407:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2016/17, 34 554, nr. 3, p. 33 (MvT).
Hijma & Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2017/22.345.
Richtlijn nr. 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PbEU 2011, L 48/1).
Onder handelsovereenkomst moet – kort en goed – worden verstaan de overeenkomst die strekt tot ‘het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding’ (Kamerstukken II 2011/13, 33 171, nr. 3, p. 1-2), zowaar een mooie parallel met de btw.
Aldus ook Kamerstukken II 2011/13, 33 171, nr. 3, p. 10.
De wet stelt deze voorwaarde niet.
Vgl. art. 63 e.v. Btw-richtlijn. Een alternatief zou zijn een (eigen) fiscale definitie van de éénjaarstermijn in het leven te roepen. De wetgever had bijvoorbeeld kunnen volstaan met de overweging dat een vergoeding voor toepassing van art. 29 Wet OB 1968 als opeisbaar wordt aangemerkt als de betaaltermijn uit de overeenkomst komt te vervallen of, bij gebreke aan een contractuele betaaltermijn, na ommekomst van 30 dagen ná de factuurdatum (hetgeen echter een factureringsverplichting veronderstelt).
Deze datum is gelijk aan de datum die op het polisblad vermeld is, en bij gebreke daarvan de datum waarop de premie uiterlijk moet worden betaald. Zie in dat verband de Toelichting assurantiebelasting (resolutie nr. B71/23037 van de staatssecretaris van Financiën van 16 december 1971, V-N 1971/57,29, zoals gewijzigd bij besluit nr. VB91/1044 van de staatssecretaris van Financiën van 18 juli 1991). Hoewel deze toelichting inmiddels is ingetrokken, wordt deze in het algemeen nog als actueel ervaren. Zie daartoe Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, art. 26, aant. 2.
Het opschorten van de opeisbaarheid moet worden onderscheiden van het recht om de nakoming van de verbintenis op de schorten als de andere contractpartij in gebreke blijft (waarvoor een opeisbare vordering derhalve noodzakelijk is (art. 6:52 BW)). Dit recht staat ook wel bekend als de ‘exceptio non adimpleti contractus’.
Dit lijkt ook te volgen uit Hof Arnhem 22 maart 1983, BNB 1984/207, waarin pas ná de opeisbaarheid (én de tweejaarstermijn) een nadere betalingsregeling leek te zijn overeengekomen.
De éénjaarstermijn begint te lopen vanaf het moment waarop de vordering van de schuldeiser opeisbaar wordt. Blijkens de memorie van toelichting wordt hierbij uitgegaan van de uiterste betaaldatum waarop de vergoeding volgens de overeenkomst moet zijn betaald. Als er geen betaaltermijn is vastgelegd, dan moet worden uitgegaan van de wettelijke betaaltermijn. Deze bedraagt – aldus de memorie van toelichting – in principe 30 dagen na de dag waarop de factuur is ontvangen.1 Hiermee lijkt de wetgever te willen aansluiten bij het civiele recht. Ik acht dit geen goede keus. Reden hiervoor is dat het privaatrecht wat betreft de opeisbaarheid van vorderingen – zeker voor de doorsnee fiscalist – een moeizaam te doorgronden leerstuk betreft, met de nodige nuances. Ik licht dit als volgt toe.
Om te beginnen verwijs ik naar art. 6:38 en 6:39 BW. Uit deze bepalingen volgt dat in de gevallen waarin geen termijn voor nakoming is bepaald, terstond nakoming kan worden gevorderd van de verbintenis: de schuldeiser kan terstond voldoening vorderen. Is er wel een termijn voor nakoming bepaald, dan schort deze termijn de uitvoering van de verbintenis op. Een opschortende tijdsbepaling bevat bijvoorbeeld de verbintenis tot betaling van de koopprijs drie maanden na heden.2 Een vordering wordt aldus opeisbaar zodra een schuldeiser nakoming kan vorderen.3 Vervolgens zij verwezen naar art. 6:119a BW, waarin bijzondere regels zijn vastgelegd voor verbintenissen tot betaling van een geldsom. Met deze bepaling is uitvoering gegeven aan een Europese richtlijn,4 die ertoe strekt betalingsachterstanden bij handelstransacties5 in de EU tegen te gaan.6 Uit art. 6:119a BW volgt dat de betaaltermijn voor handelstransacties tussen ondernemingen in beginsel 30 dagen bedraagt (lid 2).7 Ondernemingen behouden echter de mogelijkheid om contractueel af te wijken van de betaaltermijn van 30 dagen. Aan deze contractsvrijheid worden wel grenzen gesteld door in beginsel een maximumbetaaltermijn van 60 dagen op te nemen. Ondernemingen kunnen eventueel uitdrukkelijk een langere betaaltermijn overeenkomen op voorwaarde dat deze betaaltermijn niet kennelijk onbillijk is jegens de schuldeiser (lid 5). Hierbij zet ik de volgende kanttekeningen. Voor zover mijn kennis van het civiele recht reikt, meen ik uit betreffende bepaling te mogen afleiden dat het de jure eigenlijk niet om een betalingstermijn gaat, maar veeleer de vraag betreft wanneer een schuldeiser aanspraak kan maken op rente voor betalingsachterstand. Daarnaast lijkt de memorie van toelichting bij bedoelde bepaling tot uitgangspunt te nemen dat de termijnen alleen gelden bij (handels)transacties tussen ondernemingen,8 zodat het nog maar de vraag is of de termijn van 30 dagen ook geldt indien een ondernemer presteert aan een niet-ondernemer, zoals de particuliere consument. Ik kan mij daarom niet aan de indruk onttrekken dat de wetgever, daar waar het de vraag naar de opeisbaarheid van de vergoeding betreft, een onjuiste, zo niet op zijn minst onduidelijke, maatstaf heeft aangelegd door in de memorie van toelichting te verwijzen naar de betreffende 30-dagentermijn. Ik zou menen dat de wetgever er dan ook verstandiger aan had gedaan de éénjaarstermijn te koppelen aan een fiscaal definieerbaar moment, zoals dat van de verschuldigdheid van de btw ex art. 13 Wet OB 1968.9 Daarnaast had de wetgever mogelijk inspiratie kunnen opdoen door een verband te leggen met het bepalen van de premievervaldatum in de assurantiebelasting (art. 26 WBR). Dit is de datum waarop de premie opeisbaar wordt en de assurantiebelasting verschuldigd wordt.10 Dit had niet alleen onduidelijkheid over de aanvang van de éénjaarstermijn kunnen voorkomen, maar had (mogelijk) ook andere discussies uit de weg kunnen gaan.
Een vraag die onder de huidige regeling namelijk opkomt, is of partijen de opeisbaarheid van de vergoeding kunnen opschorten, zodat de éénjaarstermijn dienovereenkomstig wordt verlengd. A-G De Wit heeft deze vraag in de spiegelbeeldsituatie, onder toepassing van art. 29 lid 2 Wet OB (tot 2017), al een keer beantwoord. In zijn conclusie bij HR 11 juli 2008, BNB 2008/283 overwoog hij ontkennend:
“Vervolgens kan de opeisbaarheid van de vergoeding zijn opgeschort, bijvoorbeeld omdat dit bij een betalingsregeling is overeengekomen. Uit de tekst van de tweede volzin van artikel 29, tweede lid van de Wet volgt dat in die situatie niettemin na twee jaren de in aftrek gebrachte voorbelasting kan worden gecorrigeerd. De termijn van twee jaren wordt dan ook niet opgeschort. Dit valt af te leiden uit Hoge Raad, BNB 1991/209. In dat arrest waren in 1980 en 1981 ontstane schulden aan de orde. Over het jaar 1984 was een naheffingsaanslag opgelegd ex artikel 29, tweede lid, van de Wet. De Hoge Raad stelde vast dat de tweejaarstermijn vóór 1984 was verlopen, namelijk in 1982 en 1983. Uit de door het Hof vastgestelde feiten blijkt dat in de bedoelde zaak de opeisbaarheid van de vorderingen in 1981 bij overeenkomst was opgeschort door een regeling met de crediteuren.”
Ik meen echter dat deze conclusie niet zonder meer uit het aangehaalde arrest (HR 22 mei 1991, BNB 1991, 290) volgt, nu de Hoge Raad in die zaak het tijdstip van opeisbaarheid lijkt ‘vast te pinnen’ (omdat dit tussen partijen in cassatie niet in geschil was) op de datum waarop de facturen waren uitgereikt (1980 en 1981), zodat de betreffende tweejaarstermijn verstreek in 1982 en 1983 en de naheffingsaanslag in 1984 dus te laat was opgelegd.
Een andere zaak waarin de vraag naar (opschorting) van de opeisbaarheid centraal stond, is Hof Arnhem-Leeuwarden 26 augustus 2014, V-N 2014/59.18. Ook hier stond art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017) centraal. In de zaak die leidde tot dit arrest had belanghebbende partijen schoenen gekocht. In de leveringsvoorwaarden was een betalingstermijn van 30 dagen opgenomen. Aangezien de facturen twee jaar na dato nog onbetaald waren, legde de inspecteur een naheffingsaanslag ex art. 29 lid 2 Wet OB (tot 2017) op. Belanghebbende stelde zich echter op het standpunt dat hij met de leverancier was overeengekomen dat de betreffende 30-dagentermijn niet voor hem gold, maar een andere betaaltermijn van toepassing was. Gelet op verklaringen van de leverancier achtte het hof dit echter niet aannemelijk, zodat de naheffingsaanslag in stand bleef. Uit het gesteggel rondom de vraag naar de van toepassing zijnde betaaltermijn zou met enige voorzichtigheid afgeleid kunnen worden dat het hof (ten principale) wel van mening is dat partijen het tijdstip van opeisbaarheid kunnen beïnvloeden door de betaaltermijn achteraf bij overeenkomst aan te passen.
Ik voel hier wel wat voor. Het komt mij voor dat het overeenkomstig de geldende contractsvrijheid partijen vrij staat om een eenmaal vastgestelde betaaltermijn nadien nog te wijzigen, zodat de opeisbaarheid overeenkomstig wordt opgeschort.11 Het lijkt mij dat aan deze vrijheid wel een tijdlimiet gebonden is: zodra de opeisbaarheid eenmaal is komen vast te staan, kan deze niet meer worden opgeschort.12 Indien de schuldeiser in dat geval instemt met een latere betaling, dient in mijn optiek gesproken te worden van ‘uitstel van betaling’, hetgeen als een gunst van de schuldeiser aan de schuldenaar kan worden betiteld.13
Voorbeeld 4.4
A levert goederen aan B. Partijen komen een betaaltermijn van 20 dagen na factuurdatum overeen. Na 15 dagen spreken partijen af dat de betaaltermijn met nog eens 20 dagen zal worden verlengd. Gerekend vanaf de factuurdatum heeft B derhalve 40 dagen de tijd om A voor de goederen te betalen.
Naar mijn mening begint in voornoemd voorbeeld de éénjaarstermijn te lopen bij het verstrijken van de 40-dagentermijn. Zouden partijen pas na 25 dagen hebben afgesproken dat B nog 15 dagen zou hebben om de factuur te mogen voldoen (derhalve ook 40 dagen gerekend vanaf de factuurdatum), dan was de éénjaarstermijn wat mij betreft al bij het verstrijken van dag 20 aangevangen.