Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/3.4.1
3.4.1 Inleiding
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ook het aangaan van een schuld, het tenietdoen van een inschuld en het ter beschikking stellen van gegevens, maar in het kader van dit onderzoek is het vooral relevant het wegnemen als bedoeld in art. 310 Sr en het onder zich hebben als bedoeld in art. 321 Sr te vergelijken met (het dwingen tot) de afgifte van een goed.
Ook het ter beschikking stellen van gegevens met geldswaarde in het handelsverkeer, tot het aangaan van een schuld of tot het tenietdoen van een inschuld, maar in het kader van dit onderzoek is het vooral relevant het wegnemen als bedoeld in art. 310 Sr en het onder zich hebben als bedoeld in art. 321 Sr te vergelijken met (het bewegen tot) de afgifte van een goed.
Vgl. ook Smidt II, p. 546.
Vgl. ook Modderman tijdens de beraadslagingen van de Commissie De Wal, Notulen Staatscommissie I, p. 418.
Art. 317, eerste lid, Sr luidt:
“Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt hetzij tot de afgifte van enig goed dat geheel of ten dele aan deze of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld, hetzij tot het ter beschikking stellen van gegevens, wordt, als schuldig aan afpersing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
Art. 326, eerste lid, Sr luidt:
“Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, wordt, als schuldig aan oplichting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
In art. 317 Sr is strafbaar gesteld het door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingen tot afgifte van een goed.1 In art. 326 Sr is strafbaar gesteld het bewegen van een ander tot afgifte van enig goed2 door middel van de in dat artikel (limitatief) opgesomde oplichtingsmiddelen. Afpersing en oplichting onderscheiden zich van de hiervoor besproken vermogensdelicten doordat de onmiddellijk benadelende handeling niet door de dader, maar – in het algemeen – door het slachtoffer zelf wordt verricht. Afpersing en oplichting hebben gemeen dat voor voltooiing van het delict nodig is dat enig goed wordt afgegeven.3 Ten opzichte van elkaar onderscheiden zij zich door de wijze waarop de afgifte tot stand wordt gebracht. Bij afpersing wordt de afgifte bewerkstelligd door geweld of bedreiging met geweld. Het slachtoffer gaat onder druk van geweld of bedreiging met geweld, dus onvrijwillig, over tot afgifte. Zonder het geweld of de bedreiging met geweld zou de afgifte hoogstwaarschijnlijk niet hebben plaatsgevonden. In het geval van oplichting wordt het slachtoffer in dwaling gebracht. Hij wordt misleid en onder die omstandigheden gaat hij min of meer vrijwillig tot afgifte over.4 Deze delictsomschrijvingen lijken zodoende een scherp onderscheid te maken tussen afpersing en oplichting. In het eerste geval geschiedt de afgifte onvrijwillig, in het tweede geval juist vrijwillig. Overlap lijkt daarmee uitgesloten. In deze paragraaf ga ik in op het bestanddeel dat beide bepalingen gemeen hebben, namelijk ‘afgifte’. Daartoe wordt eerst de wetsgeschiedenis van het bestanddeel ‘afgifte’ onderzocht. Daarna wordt bezien of, en zo ja hoe, dit bestanddeel in de literatuur en rechtspraak is besproken en uitgelegd. Verschillen tussen de delicten kunnen hier buiten beschouwing blijven. In het volgende hoofdstuk ga ik verder in op de grens tussen deze twee delicten.