Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/3.5.3
3.5.3 Bedrijfswaarde en mogelijke strijd met goed koopmansgebruik
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS344309:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Th.S. IJsselmuiden, Een en ander over bedrijfswaarde (n.a.v. Hof Arnhem 23 maart 1989, FED 1989/ 309), FED 1989/ 479.
Hof Arnhem 23 maart 1989, nr. 1694/1985 M I, FED 1989/ 309.
Arrest van 17 april 1991, nr. 26 632, BNB 1991/ 236 met noot van G. Slot.
HR 17 april 1991, nr. 26 632, BNB 1991/236 met noot van G. Slot.
HR 11 december 1985, nr. 23 159, BNB 1987/187
J.Ch. Caanen, Verplichte winstneming bij hogere lagere bedrijfswaarde ondanks bestemmingswijziging, Weekblad 1994/ 6089, 3 februari 1994, blz. 162-173.
J.Ch. Caanen, Enige beschouwingen over goed koopmansgebruik, TFO nr. 22, december 1995, blz. 221-234.
T.a.p., blz. 233-234.
T.a.p., blz. 171.
HR 8 juli 1992, nr. 27 678, met conclusie A-G Moltmaker, BNB 1992/ 298 met noot van G.J. van Leijenhorst.
LIsselmuiden1 is van mening dat nu de grens voor afschrijving op vaste activa wettelijk is geregeld in art. 10 Wet IB 1964, waardering op lagere bedrijfswaarde uitsluitend wordt beheerst door de regels van goed koopmansgebruik. Deze uit het stelsel van de wet voortvloeiende conclusie vindt volgens hem steun in de wetsgeschiedenis. Dit klinkt allemaal heel logisch, toch zwakt IJsselmuiden zelf deze conclusie enigszins af door vervolgens te stellen dat de bedrijfswaarde om tweeërlei redenen in strijd is met goed koopmansgebruik. Hij is van mening dat:
degene die de waarde van het vaste actief (en dus de afschrijvingen) berekent uit de toekomstige winsten (die met het actief kunnen worden behaald) de zaak omdraait. Dat is in strijd met een oeroud beginsel van goed koopmansgebruik2: afschrijvingen en waardeverminderingen moeten onafhankelijk van het resultaat in aanmerking worden genomen. Alleen onder bepaalde omstandigheden is waardering van een vast actief op de waarde van de netto cash flow geoorloofd.
door het verschil tussen de verkrijgingsprijs min afschrijvingen en een (of andere) marktwaarde als kosten te boeken, kosten in aanmerking worden genomen die geen verband houden met de opbrengsten. Dat is in strijd met een beginsel van goed koopmansgebruik te weten de juiste toerekening van kosten aan opbrengsten (matching principle).
De stelligheid waarmee IJsselmuiden het begrip bedrijfswaarde in strijd acht met goed koopmansgebruik is voor een groot deel te verklaren door een uitspraak van het Hof Arnhem 3. In de hiervoor aangehaalde procedure gaat het om een groothandel in veterinaire artikelen en diergeneesmiddelen die, na in de jaren 1979 en 1980 een nieuw bedrijfspand te hebben laten bouwen, dit pand per 31 december 1983 met bijna de helft van de boekwaarde afwaardeert. Belanghebbende gaat daarbij uit van een getaxeerde onderhandse en vrije verkoopwaarde van het pand van f 515 000 en acht deze waarde gelijk aan de bedrijfswaarde.
Hof Arnhem komt tot de conclusie dat goed koopmansgebruik toelaat bedrijfsmiddelen op lagere bedrijfswaarde te waarderen indien de bedrijfswaarde aantoonbaar lager is dan de kostprijs verminderd met de afschrijvingen. Vervolgens overweegt het Hof: 'Als waarde van het onroerend goed komt in aanmerking het bedrag waarvoor een overnemende partij, die de onderneming wenst voort te zetten, het goed in operationele staat had kunnen verwerven, zijnde de waarde van het onroerend goed, zoals die door de deskundige A is geschat op f 515 000, welke schatting door de inspecteur der registratie en successie niet ernstig is bestreden, vermeerderd met de overdrachtskosten, die door partijen ter zitting worden gesteld op 9% van de voornoemde waarde en vermeerderd met de kosten welke zouden moeten dienen om het onroerend goed onmiddellijk in bedrijf te kunnen nemen.'
Welnu, deze uitspraak is nogal bevreemdend want het hof spreekt in één adem over voortzetting van de onderneming en stelt vervolgens dat in casu de bedrijfswaarde gelijk is aan de onderhandse verkoopwaarde vermeerderd met een aantal kosten. Op deze wijze is de band met de bedrijfsuitoefening van het heden inderdaad geheel verdwenen en lijkt het matching-principle (waarbij kosten en lasten worden toegerekend aan de jaren waarop ze betrekking hebben) geheel te worden losgelaten. De verliesneming als gevolg van de afwaardering van de onroerende zaak doet hier volledig willekeurig aan en lijkt geen relatie te hebben met de bedrijfsuitoefening van het desbetreffende jaar.
Het verbaast dan ook geenszins dat de staatssecretaris tegen deze uitspraak in cassatie ging op basis van de stelling dat goed koopmansgebruik verlangt dat de bedrijfswaarde bepaald wordt binnen het verband van de onderneming en met inachtneming van inzicht en winstgevendheid van de onderneming. Een taxatie op onderhandse verkoopwaarde impliceert volgens de staatssecretaris een waardebepaling buiten het verband van de onderneming en kan derhalve geen juiste bepaling van de bedrijfswaarde zijn.
In het daarop door de Hoge Raad gewezen arrest4 wordt niet expliciet op het cassatiemiddel ingegaan. De Hoge Raad overweegt: 'De onderhandse vrije verkoopwaarde van een bestanddeel van het ondernemingsvermogen kan slechts als grondslag voor een afboeking wegens vermindering van de bedrijfswaarde dienen, indien zij de uitdrukking vormt van een vermogensverlies dat niet wordt opgeroepen door tijdelijke of lokale invloeden op de marktwaarde, doch berust op de omstandigheid dat moet worden verwacht dat het goed de bijdrage aan de omzet en de productie van de onderneming, waarvoor het was bestemd, niet zal kunnen leveren, terwijl dat verlies ook bij verkoop van het goed — hetzij afzonderlijk, hetzij in samenhang met andere bestanddelen van het ondernemingsvermogen — niet zal kunnen worden goedgemaakt.'
Het lijdt geen twijfel, dit arrest blinkt niet uit in duidelijkheid en roept naar mijn mening meer vragen op dan dat het beantwoordt. Zo merkt Slot in zijn annotatie onder het arrest op5 dat de Hoge Raad mogelijk bedoelt dat onder bepaalde omstandigheden de verkoopwaarde als de bedrijfswaarde kan worden beschouwd. Voor hem ontstaat de bedrijfswaarde door telkenjare weer de kostprijs minus afschrijvingen met de schatting van de contante waarde van de toekomstige netto-opbrengsten (in casu het gebouw) te vergelijken. Niet beslissend is of de geschatte jaarlijkse opbrengst lager is dan men bij aanschaf had gedacht, zoals de Hoge Raad naar de mening van Slot ten onrechte lijkt te oordelen. Kort samengevat komt zijn visie erop neer dat de bepaling van de bedrijfswaarde van jaar tot jaar plaats moet vinden, mede gebaseerd op de bedrijfsuitoefening van het afgesloten jaar. Op deze wijze wordt overigens te dele aan het door IJsselmuiden voorgestane matching principle voldaan.
Een bijzondere mening heeft in deze de redactie van het Vakstudie Nieuws 6. In zijn noot onder het arrest wijst de redactie erop hoe snel een situatie kan ontstaan, waarbij bij een eventuele verkoop van het pand de meerkosten niet terugontvangen worden. Dit doet zich bijvoorbeeld voor indien bij de bouw van een onroerende zaak de bouwkosten belangrijk zijn beïnvloed door een specifieke door het pand te vervullen functie. Gegeven het feit echter dat die kosten bewust zijn gemaakt, zou een onredelijke uitkomst worden verkregen indien op basis van een lagere verkoopwaarde een dergelijk tekort als fiscaal verlies genomen zou mogen worden (tenzij uiteraard het pand daadwerkelijk overgaat naar derden). De redactie zegt dat pas als die specifieke functie niet uit de verf komt (in die zin dat niet aan de (winst)verwachtingen van de ondernemer wordt voldaan), ook de lagere bedrijfswaarde in beeld komt.
Het commentaar op het arrest is te vaag en laat te veel vragen onbeantwoord. Aan welke specifieke functie van een pand moet hier gedacht worden? In hoeverre wijkt de bijdrage van een pand aan de al dan niet winstgevendheid van een onderneming af van bijvoorbeeld de bijdrage die inventaris of het debiteurenbewakingssysteem daaraan leveren? En welke rol speelt in dit kader het arrest van de Hoge Raad van 11 december 19857 waarbij de marktwaarde als benadering van de bedrijfswaarde van onroerende zaken is vastgesteld op basis van gekapitaliseerde huuropbrengsten? Nogmaals, het arrest roept meer vragen op dan het beantwoordt. In hoofdstuk 10 zal nader op deze problematiek worden ingegaan.
Caanen8 ten slotte staat negatief en kritisch ten opzichte van het begrip bedrijfswaarde. Volgens hem is en blijft het een theoretisch omstreden en praktisch onhanteerbaar begrip. De verkaveling van de indirecte opbrengstwaarde van de gehele onderneming over de afzonderlijke activa is in zijn ogen ondoenlijk. Hij pleit voor een individuele benadering van de bedrijfswaarde van een bedrijfsmiddel door niet langer uit te gaan van de verkoopmarkt maar van de inkoopmarkt. Alsdan kan waardering plaatsvinden door middel van het vaststellen van de indirecte kostprijswaarde. Volgens Caanen9" heeft de omstandigheid dat in het kader van goed koopmansgebruik verliezen ten laste van het jaar mogen worden gebracht waarop zij betrekking hebben niets met het voorzichtigheidsbeginsel te maken. Het voorzichtigheidsbeginsel betreft in zijn ogen niet-gerealiseerde winsten. Verliezen mogen afgetrokken worden als deze een realiteit zijn, op realisering hoeft niet te worden gewacht.
Caanen is van mening10 dat bij de traditionele bedrijfswaardebepaling die uitgaat van de overnemingswaarde van de onderneming, in strijd wordt gehandeld met goed koopmansgebruik. Met een dergelijk verlies wordt volgens hem een voorschot genomen op toekomstige verliezen of toekomstige tegenvallende winsten. Er is met andere woorden sprake van verliesanticipatie waarbij in zijn ogen het voorzichtigheidsbeginsel te hulp wordt geroepen om toekomstige verliezen naar voren te halen. Citaat": 'Men realisere zich wat er in de meeste gevallen gebeurt: Er wordt geen voorschot genomen op toekomstige verliezen van de gehele onderneming, maar er wordt via één bedrijfsmiddel een verlies genomen, omdat toekomstige winsten van de totale onderneming naar verwachting lager zullen zijn dan een in zekere mate willekeurige normwinst. De realiteitszin wordt geweld aangedaan indien de verdeling van een totaalwinst over min of meer (weliswaar lager dan gewenste) gelijke jaarwinsten getransformeerd wordt in een eenmalige zeer lage, of zelfs negatieve, jaarwinst plus een aantal hogere in de toekomst.'11
De visie van Caanen dient te worden verworpen vanwege het feit dat de Hoge Raad afwaardering van een activum op lagere bedrijfswaarde uitdrukkelijk in overeenstemming heeft geoordeeld met goed koopmansgebruik. Maar ook zijn er nog andere voorbeelden te noemen waarbij afwaardering op lagere bedrijfswaarde reëel is. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een situatie vergelijkbaar met het arrest Billiton-Veendam'12: er is sprake van een omvangrijke investering in een fabriekscomplex die zich over meerdere jaren uitstrekt. Als de investering uiteindelijk is voltooid is de grond daaraan inmiddels vervallen bijvoorbeeld omdat de wereldmarkt voor het desbetreffende product is ingezakt of omdat er inmiddels een ander, innovatief product op de markt gekomen is. Als gevolg hiervan wordt de fabriek slechts beperkt of in het geheel niet in gebruik genomen casu quo voorlopig 'in de motteballen gelegd'. Alsdan is de waardedaling van de investering een feit en onherroepelijk. Afwaardering in fiscale zin is in dergelijke situatie dan ook alleszins aanvaardbaar.