Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.C.3.b
b. ´Ruil´ in historisch perspectief
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS477352:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband uitgebreid A.A. van Velten, Privaatrechteiijke aspecten van onroerend goed, § 3.1, alsmede G.G. Oly, Koop, Inleiding in het recht van ruil tot handeiskoop, p. 7.
Zie tevens grenspost 1, hfdst. I, onderdeel B.l van dit onderzoek.
Asser-Hijma, 7-1* Koop en Ruil, nr. 1. Zie over de historische ontwikkelingen uitgebreid A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed, § 3.1.
Dat op deze gevolgtrekking het een en ander valt af te dingen blijkt uit G.G. Oly, Koop, Inleiding in het recht van ruil tot handeiskoop, p. 7: ‘ De stap van ruil naar koop is niet een eenvoudige, maar behelst een scala aan historische ontwikkelingen in een samenleving. Pas wanneer de samenleving zo complex is, dat er van een functionerende (geld jeconomie gesproken l
Zie Grenzübergangsstelle 3A, onderdeel C.l, alsmede grenspost 3B, onderdeel C.1.
J.H.A. Lokin, Prota, nr. 49.
Gezien de inhoud en samenstelling van de huidige regeling van de ruil in het BW, waar de ruil als het ware ‘parasiteert’ op de regeling van de koop en gezien het feit dat er thans slechts minimaal gebruik wordt gemaakt van deze overeenkomst, is het maar zeer de vraag of er hede ten dage nog gesproken kan worden van een eigen ‘statuur’.
De Romeinsrechtelijke ‘mancipatio’, aldus A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed, § 3.1.
In dezelfde zin G.G. Oly, Koop, Inleiding in het recht van ruil tot handelskoop, p. 10.
OLG Stuttgart 29 maart 2011, NJW-RR 2011, behandeld in Grenzübergangsstelle 3A, onderdeel C.3.c.
Zie bijv. R.F.C.H. Bentinck, Eenige opmerkingen over het verschil tusschen Koop en Ruil, Leiden: P. Somerwil 1891, p. 20, die opmerkt dat reeds in de Code Civil de koop en ruil bij elkaar geplaatst waren, in de titels VI en Vil van het derde Boek. Een goed voorbeeld van de relatie tussen koop en ruil is tevens art. 1578 Oud BW: ‘al hetgeenvoor verkoop vatbaar is, kan ook het onderwerp van ruiling uitmaken.’
Om de civielrechtelijke ruil goed te kunnen beoordelen, is het van belang zijn historie te kennen.1 Ruilen wordt algemeen gezien als de oudste vorm van handel.2 Asser- Hijma verwoordt het aldus:
“Handel in een primitieve samenleving is alleen op deze wijze mogelijk. Zodra echter bepaalde zaken (vee, gedroogde vis, huiden en pelzen, kostbare stenen en metalen ) de functie van ruilmiddel verkrijgen, vindt er een ontwikkeling plaats in de richting van koop. Deze ontwikkeling is voltooid wanneer het metaal andere zaken als ruilmiddel heeft verdrongen en in gemunte vorm ter beschikking komt. Dan immers wordt het mogelijk de ruil van zaak tegen zaak duidelijk te onderscheiden van koop als ruil van zaak tegen geld."3
Waar economen de ruilingen in de primitieve samenleving bestempelen als grondslag voor de (hedendaagse) handel, ontwaren juristen hier reeds de oervorm van de rechtsfiguur koop.4 Koop is in de laatste, algemeen geaccepteerde visie voorgesproten uit de ruiling. Ook bij de Duitsers en Belgen zien wij eenzelfde gedachte terug.5 Lokin6 leert ons dat hier in de loop der eeuwen verschillend over gedacht werd: sommige juristen beschouwden de ruil van zaken reeds als koop en verkoop, waarbij de prijs voor het gekochte kan bestaan uit geld of uit een andere zaak, terwijl anderen van mening waren dat ruil van zaken iets fundamenteel anders was dan koop en verkoop. De mening dat de ruil een eigen en van de koop verschillende overeenkomst is, heeft echter de overhand gekregen. Beide rechtsfiguren hebben een gelijke historie, maar hebben, door de opkomst van de koop, ieder in de loop der tijden een eigen ‘statuur’ gekregen.7
Na de komst van het geld en daarmee de toename van de liquiditeit, werden niet meer uitsluitend zaken tegen elkaar geruild, maar werd een zaak ook overhandigd tegenover de ontvangst van munten, 8 Wanneer de economische en juridische redeneringen gecombineerd worden, kan worden geconcludeerd dat het verschil tussen ruil en koop ligt in het functioneren van een economie: wanneer de economie niet functioneert door gebrek aan (vertrouwen in) geld als ruilmiddel, wordt teruggevallen op de ‘klassieke’ ruilhandel.9 De afbakening tussen koop en ruil is derhalve gelegen daar waar de verplichting tot het geven van een andere zaak (ruil) overgaat in een geldschuld (koop). Dat hierbij sprake is van een ‘grijs gebied’, behoeft geen betoog: de ruil met geldelijke toegift is immers nog steeds een ruil. In de Duitse rechtspraak is in dit kader bepaald is dat wanneer sprake is van een wanverhouding tussen waarde en geldelijke toegift, de kwalificatie ‘koop’ geldt.10
Er bestaat derhalve een zekere synergie en lotsverbondenheid tussen koop en ruil. Deze relatie wordt door de wetgever al sinds jaar en dag onderkend: van oudsher worden koop en ruil als (Siamese) ‘tweeling’ behandeld in ons rechtssysteem, 11 waarbij de koop, gezien de algehele staat van welvaart inde huidige tijd, als dominante telg mag worden beschouwd.