Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.8.5.2
6.8.5.2 Europa als OCA?
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS456476:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: De Grauwe 2009, p. 23-56.
Zie bijvoorbeeld: De Grauwe 1996b, p. 1092; Eichengreen 1991; Bayoumi & Eichengreen 1992; De Grauwe 1994, p. 162; Von Hagen & Neumann 1994; Wyplosz 1997, p. 8-10. Hooguit worden er kansen gezien voor een kerngroep van EU-landen, met daarin Frankrijk, Duitsland en de Benelux, zie bijvoorbeeld: De Grauwe 1994, p. 162. Een positievere visie hanteren Gros & Thygesen 1998, p. 268-271, 310-311. Zie voor een voorspelling over de kosten en baten van de EU als EMU: Eichengreen 1992.
Baldwin & Wyplosz 2015, p. 374.
De Grauwe 1996b, p. 1092-1094; Wyplosz 1997, p. 7; Stiglitz 2016, p. 48, 150.
De Grauwe 1996b, p. 1094-1097. Zie voor een economische motivering voor de convergentiecriteria ook: De Grauwe 2009, p. 145-150.
De Grauwe 1994, p. 161. Zie over de negatieve effecten van de convergentiecriteria ook: De Grauwe 1996b; Wyplosz 1997, p. 10-12.
De vraag of (een deel van) de EU kan gelden als OCA, is onderwerp geweest van hevige debatten. Het antwoord op die vraag is echter (nog steeds) niet eenduidig. De criteria zoals hierboven weergegeven zijn dan ook niet met een simpel ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden, maar vormen eerder een glijdende schaal, waar in meer of mindere mate aan voldaan kan zijn. Daarnaast kan een deel van de criteria wel (in meerdere mate) vervuld worden, terwijl dit voor een ander deel niet geldt. Bovendien staan ook de OCA-criteria zelf bloot aan kritiek.1 Het toepassen van deze criteria op een bepaalde regio levert dan ook geen antwoord op als ‘deze regio is wel/geen OCA’, maar eerder een antwoord als ‘deze regio is suboptimaal voor het gebruik van één munt’.
In de discussie over de vraag of de toenmalige EU een OCA vormde, is met name benadrukt dat er weinig arbeidsmobiliteit is tussen deze landen, terwijl er goed werd gescoord op diversiteit en openheid. De politieke criteria kenden een minder eenduidig oordeel. Op grond hiervan kwamen veel economen tot de conclusie dat de toenmalige EU als geheel geen OCA vormde.2 De EU was volgens de OCA-criteria niet het beste voorbeeld van een regio die één munt zou kunnen hanteren, maar ook niet het slechtste. Daarnaast kunnen meer recente ontwikkelingen, zoals het instellen van een Europees Stabiliteitsmechanisme (hierna: ESM), eraan bijdragen dat de EU en de eurozone in het bijzonder meer en meer een OCA worden.3
De keuze uit het Verdrag van Maastricht om een EMU te gaan vormen, is dan ook geen puur economische keuze geweest, maar ook, en wellicht zelfs vooral, een politieke. Dit blijkt des te meer uit de vier convergentiecriteria die het Verdrag van Maastricht geeft voor deelname aan de EMU. Deze criteria sluiten namelijk niet aan bij de OCA-theorie, maar richten zich op andere economische aspecten, namelijk prijsstabiliteit, overheidsfinanciën, wisselkoersen en rentevoet, hetgeen tot veel kritiek leidde. Waarom deze criteria, als die elementen volgens de OCA-theorie niet relevant zijn?4
Het antwoord op deze vraag ligt in Duitsland.5 Dit land wist bij de start van de EMU dat het lage inflatieniveau dat in Duitsland gebruikelijk was, zou stijgen, vanwege deelname van landen met een hoger inflatieniveau. Duitsland wist daarom af te dwingen dat de ECB zou worden ingericht naar het voorbeeld van de Duitse centrale bank, de Bundesbank. Dit betekende dat de ECB onafhankelijk werd en prijsstabiliteit als belangrijkste doel had. De ECB neemt echter concrete besluiten met meerderheid van stemmen, waardoor Duitsland bij nieuwe beslissingen aan het kortste eind zou kunnen trekken. Duitsland wilde er dus zeker van zijn dat de landen die meededen met de EMU, dezelfde voorkeuren hadden op het gebied van inflatie als Duitsland zelf. Door te voldoen aan de convergentiecriteria, met name de eisen van prijsstabiliteit en wisselkoersen, konden de verschillende landen bewijzen dat zij op eenzelfde manier tegen inflatie aankeken als Duitsland. Dat deze eisen weinig met de OCA-theorie van doen hebben en volgens sommigen zelfs obstakels vormen in de ontwikkeling naar een monetaire unie, is daarbij voor lief genomen. Zo stelde De Grauwe in 1994:
‘The remarkable thing about the Maastricht entry conditions is that they have so little to do with economics. Even more remarkable, the economic theory of monetary unions has stressed completely different conditions from those adopted at Maastricht. (…) The theory of optimum currency areas has left no trace in the Maastricht Treaty. On balance the Maastricht convergence criteria are obstacles to a monetary union in Europe.’6